Haarlemse rechter ‘corrigeert’ het Europees Hof

In een zaak die in 2012 bij de rechtbank in Haarlem diende (ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5042), ging het over de vraag of kinderen binnen hetzelfde gezin met dezelfde achternaam, allemaal hetzelfde adelspredicaat moeten kunnen voeren. Vader en grootvader hadden wel het predicaat maar het (klein)kind (verzoeker) niet.

De casus

De grootvader van verzoeker had een verzoek tot inlijving in de Nederlandse adel ingediend in 1994, vijf maanden voordat de Wet op de Adeldom (Woa) van kracht werd. Hoewel de (positieve) beslissing op het verzoek van de grootvader is gegeven na de invoering van deze wet, te weten 3 oktober 1995, was op dat verzoek niet het nieuwe, maar het oude adelsrecht van toepassing. Verzoeker, geboren in 1990, viel als erkende (klein)zoon om die reden buiten de werking van het toen geldende adelsrecht (aldus de Hoge Raad van Adel). Hoewel de Woa overgang van adeldom op buiten huwelijk geboren kinderen momenteel wel mogelijk maakt (artikel 3), heeft dit artikel volgens een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 januari 2005 geen terugwerkende kracht en geldt daarom alleen voor kinderen geboren na de invoering van de wet, aldus de Hoge Raad van Adel.

Verzoeker had met brief van 17 maart 2008 verzocht om inschrijving in het filiatieregister van de Nederlandse adel, waarop bij brief van 29 april 2008 negatief is gereageerd. Verzoeker verzoekt de rechtbank de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten zijn geboorteakte aan te vullen in die zin dat op de geboorteakte het predicaat jonkheer wordt aangetekend.

Wat voerde de verzoeker aan?

Verzoeker grondde zijn verzoek op de stelling dat de gemeente in strijd met de bepalingen van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) het predicaat jonkheer niet op zijn geboorteakte heeft vermeld. Verzoeker stelde dat in het Koninklijk Besluit ten onrechte – want in strijd met artikel 3 van de Woa – de zinsnede ” wettige afstammelingen in mannelijke lijn ” is opgenomen” en dat ten tijde van de inlijving van zijn familie ook aan hem het predicaat jonkheer had moeten worden toegekend.

Verzoeker is verder van mening dat het predicaat jonkheer onderdeel uitmaakt van zijn geslachtsnaam en dat de in Nederland geldende leer dat adellijke titels en predicaten geen deel uitmaken van de geslachtsnaam onjuist en onhistorisch is. Hij verwijst daarbij naar titel 2 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en naar de toelichting bij artikel 5, lid 11 BW. Verder stelde hij dat de door de minister van Binnenlandse Zaken en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gehanteerde uitleg van artikel 3 van de Wet op de adeldom leidt tot discriminatie en wijst hij op strijd met artikel 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Hoe reageerde de rechtbank?

De rechtbank meende het beter te weten. Anders dan verzoeker is de rechtbank van oordeel dat het predicaat “jonkheer” geen onderdeel uitmaakt van zijn geslachtsnaam. De gemeente heeft volgens de rechtbank terecht aangegeven dat de heersende leer is dat adellijke titels en predicaten geen deel uitmaken van de geslachtsnaam.

Het beroep op de (destijds door mij voor belanghebbende aanhangig gemaakte) zaak Wolf Metternich/Netherlands van het Europees Hof voor de rechten van de Mens van 18 mei 1999 kon verzoeker volgens de rechtbank ook niet baten, “nu het Hof slechts bij de vermelding van de op de zaak toepasselijke wetgeving, naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte, aangeeft dat “Under the relevant provisions of Dutch law governing names ,noble titles and predicates form a part of a noble person’s family name”.”.

Commentaar

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geldt als het hoogste gezag als het gaat om mensenrechten. Bij dit orgaan van de Raad van Europa kunnen individuen, groepen, organisaties en landen een klacht indienen tegen een lidstaat, door een beroep te doen op het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Dit verdrag is een internationale overeenkomst waarbij een aantal Europese staten gezamenlijk zijn overeengekomen bepaalde fundamentele rechten te waarborgen. De uitspraken van het Hof zijn definitief (er is geen hoger beroep mogelijk) en bindend voor de betrokken staten. Dat de desbetreffende Haarlemse rechter niet goed weet waar zij het over heeft, is niet verwonderlijk omdat zij zich vooral richt op familie- en strafrecht. Dat deze rechter kennelijk last heeft van grootheidswaanzin, is niet goed te praten.

Als het EHRM klip en klaar aangeeft dat volgens het Nederlandse naamsrecht de adellijke titel onderdeel uitmaakt van de naam, dan moet deze uitspraak simpelweg worden geaccepteerd. De onderhavige uitspraak getuigt dan ook niet alleen van een misslag, maar ook van een gebrek aan respect voor het EHRM. Dat de rechtbank juridische regels interpreteert is logisch, maar dat een rechtbank op de stoel van het Europees Hof van de Rechten van de Mens gaat zitten en overweegt dat het EHRM kennelijk niet weet waar het over praat, geeft aan dat de betrokken rechter haar plaats niet kent.

Tot slot

In de uitspraak wordt de Hoge Raad van Adel als belanghebbende aangemerkt. De reden ontgaat mij. Welk belang heeft de Hoge Raad van Adel te maken met een familierechtelijk geschil tussen een gemeente en een particulier?

De Hoge Raad van Adel is ingesteld bij besluit van de Soevereine Vorst van 24 juni 1814, nr.10. Samenstelling en bevoegdheid zijn geregeld in de Wet op de adeldom van 10 mei 1994, stb. 360. Zijn taken zijn het adviseren van:
a. de Minister van Algemene Zaken betreffende naamgeving, titulatuur en wapenverlening van leden van het Koninklijk Huis;
b. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffende alle adelszaken en de samenstelling en wijziging van de wapens van publiekrechtelijke lichamen;
c. de besturen van publiekrechtelijke lichamen inzake de samenstelling van de door hen gewenste vlaggen;
d. de Minister van Justitie omtrent verzoeken tot naamswijziging, waarbij de namen van adellijke geslachten of van heerlijkheden en dergelijke betrokken zijn;
e. de Minister van Defensie inzake ontwerpen van emblemen en medailles van krijgsmachtonderdelen;
– het verrichten van de uit het bovenstaande voortvloeiende werkzaamheden;
– in het algemeen het verstrekken van advies en voorlichting op genealogisch en heraldisch gebied aan rechtspersonen en particulieren.

Waarschijnlijk omdat de rechter het zelf niet snapte, heeft zij de Hoge Raad van Adel als belanghebbbende bestempeld. Dit is in strijd met taken van de Hoge Raad van Adel, zoals hiervoor genoemd. Dat de Raad ook nog eens zijn zegje mocht doen als profeet van de gemeente, getuigt naar mijn mening  van een inbreuk op het fair-trial beginsel.

Advertenties