De huidige juridische status van Nederlandse heerlijkheidsrechten

Gerard Martinus (Gerry) del Court van Krimpen, heer van Krimpen (1889 – 1944). Del Court behoorde tot een Amsterdams regentengeslacht.

In het werk van C.E.G. ten Houte de Lange, ‘Heerlijkheden in Nederland‘ wordt een heerlijkheid beschreven als: “een conglomeraat van rechten en plichten die betrekking hebben op het bestuur van een bepaald territorium en die in particuliere handen zijn“. Door de hoogleraar A.S. de Blecourt wordt een heerlijkheid in subjectieve zin gedefinieerd als het recht om regeermacht uit te oefenen (aanvankelijk van overheidswege, later door particulieren) met daaraan verknochte heerlijke rechten, krachtens een absoluut vermogensrecht. Heerlijkheid in objectieve zin is het grondgebied, waarbinnen heerlijke rechten kunnen worden uitgeoefend. Het is interessant om na te gaan in hoeverre heerlijke rechten momenteel nog juridische waarde hebben.

Rechtshistorische aspecten

In de nieuwe rechtsorde van 1795, die in Nederland de Bataafse Republiek invoerde, was het instituut van de ambachtsheerlijkheden moeilijk te verenigen met Liberté, égalité, fraternité. In dat licht  beoogde de Staatsregeling van 1798 definitief een einde te maken aan heerlijke rechten. De eigenlijke heerlijkheden in institutionele zin werden direct afgeschaft en de gevolgen werden voor voor onwettig verklaard. Bepaalde rechten werden met name genoemd, maar voor de zekerheid werd alles nog maar een keer samengevat in een soort technisch-juridische formule, die voor waterdicht werd gehouden: “mitsgaders alle andere regten en verplichtingen, hoe ook genoemd, uit het leenstelsel of leenrecht afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch, vrijwillig en wettig verdrag”. Iedereen mocht nog wel op zijn eigen grond jagen. De honoraire (“honorabele”) rechten werden afgeschaft zonder enige schadevergoeding. Voor de geldelijke (“profitabele”) rechten moest binnen zes maanden na datum opgave worden gedaan.

In de nieuwe Staatsregelingen van 1801 en 1805 is de grondgedachte uit 1798 geheel overgenomen. Volgens de regeling van 1801 werd het leenrecht volledig afgeschaft. Alle leenroerige goederen werden als allodiaal (= vrije, oorspronkelijke, erfelijke eigendom van de bezitter) bestempeld. De wet zou aan de leenheren (feodaal) een schadeloosstelling toekennen. Dit laatste is in de Staatsregeling van 1805 nogmaals toegezegd, maar met de uitvoering is nooit een begin gemaakt. Deze bepalingen leidden er wel toe, dat de Hoge Raad in 1882 besliste, dat de rechten van de ambachtsheren in 1798 niet vervallen waren, maar dat zij mede door de regelingen van 1801 en 1805, van feodaal tot allodiaal geworden waren. In 1803 bracht de Raad van Binnenlands Bestuur het advies uit, dat een schadevergoeding voor het gemis der “eigenlijk gezegde” rechten (voortkomend uit de jurisdictie) billijk was te achten. Van de andere rechten oordeelde de Raad er een groot deel in strijd met de burgerlijke vrijheid waren. Deze rechten zouden afkoopbaar gesteld moeten worden.

Tot een genuanceerder advies kwamen in 1803 de landsadvocaten in hun rapport aan het Departementaal Bestuur van Holland. Volgens hen bestond er een recht op schadevergoeding, dat trouwens in de wet was vastgelegd. De financiën van de staat lieten dit echter niet toe.

Op 9 juni 1806 herstelde de regering de ambachtsheren in een deel van hun oude rechten. Voordat aan de nieuwe wet uitvoering was gegeven, werd Lodewijk Napoleon gekroond tot koning van Holland. De nieuwe koning wilde de afschaffing van alle heerlijke rechten tegen een schadevergoeding. Dit ging recht tegen het ontwerp van wet in. De koning droeg de Staatsraad op een nieuw voorstel te formuleren. In 1809 is een ontwerp aangeboden, dat in de grote lijn neerkwam op de afschaffing van de jurisdictie en de bevoegdheden, maar de profitabele rechten voor een groot deel wilde handhaven. Aan dit ontwerp onthield Lodewijk Napoleon zijn goedkeuring. Toen in 1810 Holland bij het Keizerrijk werd ingelijfd, besliste de Raad van Ministers het ontwerp tot regeling van de heerlijke rechten aan te houden. De wetten van het Keizerrijk, die sindsdien voor het land van toepassing waren, raakten de vroegere heerlijke rechten nergens direct. Alleen voor het recht van aanwas is een Keizerlijk decreet van betekenis geweest. In 1813, toen het Koninkrijk der Nederlanden ontstond, was in feite nog niets veranderd sinds de onduidelijke Staatsregeling van 1798 (een omvangrijke en ingewikkelde materie) wel was omgeploegd, maar niet geregeld.

Actuele status van heerlijke rechten

Apollonius Jan Cornelis Lampsins (1754 – 1834), Baron van Tobago (Lodewijk XIV, 1662), heer van Swieten. Lampsins behoorde tot de Zeeuwse redersfamilie.

Van oudsher zijn aan genoemde goederen verbonden zogenoemde eigenlijke heerlijke rechten en heerlijkheidsgevolgen (accrochementen), ook wel oneigenlijke heerlijke rechten genaamd. De eigenlijke heerlijke rechten waren oudtijds de in de handel zijnde rechten op overheidsgezag. Begunstigd door de omstandigheid dat in het oud-vaderlandse recht ten tijde van de Republiek geen scherp onderscheid werd gemaakt tussen privaat- en publiekrecht, hebben deze rechten zich tot de Bataafse omwenteling onverkort weten te handhaven. Met artikel 24 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels van de Staatsregeling van 1798 werden zij afgeschaft,¹ maar zestien jaar later bij Souverein Besluit van 26 maart 1814 (Stb. 1814, 46) in getemperde vorm hersteld, namelijk als recht van voordracht voor de vervulling van belangrijke gemeentebedieningen en als recht tot aanstelling in kleinere gemeentebedieningen. Deze rechten werden bij de grondwetsherziening van 1848 afgeschaft ingevolge het eerste lid van het toenmaals ingevoegde additionele artikel. Bij de grondwetsherziening van 1922 werd de werking van deze bepaling uitgebreid tot het kerkelijk collatierecht (het recht iemand in een kerkelijke betrekking voor te dragen of te benoemen). De afschaffing van de in het eerste lid van additioneel artikel I vermelde rechten heeft dus in 1848 respectievelijk 1922 definitief zijn beslag gekregen.

De overige, de zogenaamde oneigenlijke heerlijke rechten, zijn de rechten die de heer kon uitoefenen naast zijn recht op overheidsgezag. Evenals de eigenlijke heerlijke rechten waren dit oudtijds zaken in de handel. De Staatsregeling van 1798 bevatte een drietal bepalingen welke de hier bedoelde rechten limiteerden, namelijk de artikelen 25, 27 en 53 van de Grondregels.²

Als gevolg van de verwarrende redactie van artikel 25 bleef voor tal van rechten grote onzekerheid bestaan. Voor wat betreft een aantal heerlijkheidsgevolgen, bijvoorbeeld het veerrecht, het recht op aanwassen en rechten betreffende dijken en wegen, kan wel als vaststaand worden aangenomen dat zij zijn blijven bestaan. Het eerdergenoemd Souverein Besluit van 26 maart 1814 herstelde onder andere de jacht- en visrechten.

Bij de grondwetsherziening van 1848 werd het niet noodzakelijk geoordeeld de oneigenlijke heerlijke rechten te schrappen, zoals dit met de nog resterende eigenlijke heerlijke rechten geschiedde. De wetgever zou zulks desgewenst later wel kunnen doen. In het tweede lid van het additionele artikel werd dit tot uitdrukking gebracht. Het artikellid maakt tevens gewag van schadeloosstelling van de eigenaren.

Sindsdien heeft de wetgever enige regelingen getroffen (de Verenwet (Wet van 5 juli 1921, Stb. 1921, 838), de eigenlijke heerlijke rechten 1923 (Wet van 2 juli 1923, Stb. 1923, 331) en verschillende opeenvolgende visserijwetten (laatstelijk de Wet van 30 mei 1963, Stb. 1963, 312)). Geheel verdwenen zijn de oneigenlijke heerlijke rechten echter nog niet, al worden zij niet geheel door oud-vaderlands recht beheerst (vgl. HR 20 februari 1931, NJ 1931, blz. 1563, handelend over een heerlijk visrecht). Nog bestaande oneigenlijke heerlijke rechten kunnen in de praktijk worden opgevat als gewone zakelijke rechten (Kamerstukken II 1976-1977, 14 457 (eerste lezing)).

De aard van genoemde rechten staat eraan in de weg dat het kan tenietgaan doordat er het gedurende lange tijd geen gebruik van wordt gemaakt; “non-usus”. De omstandigheid dat het bestaan van de rechten niet kan afleiden uit de openbare registers, brengt niet mee dat aangenomen moet worden dat de rechten niet (meer) bestaan (zie onder meer Gerechtshof Amsterdam 23 maart 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9231 en Gerechtshof Amsterdam 2 oktober 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1161).

Door de advocaat J. van Wassenaer wordt in “Van Adel”, Nieuwsbrief van de Nederlandse Adelsvereniging, zomer 2017 (p. 44) de interessante vraag gesteld of heerlijke rechten zijn afgeschaft.

Met name na de Tweede Wereldoorlog werd, net als onze “gewone” adellijke titels, het voeren van de titel “Heer van ..” veelal maar beter achterwege gelaten. Ook hier lijkt echter te gelden, dat er zich sinds eind jaren negentig een kentering in de belangstelling voordoet. Zelfbewustzijn en historisch besef zullen hieraan zeker (mede) debet zijn. Leek voorheen het vaste credo: “de Heerlijke rechten zijn afgeschaft!”, sindsdien is het meer een vráág: “zijn die Heerlijke rechten nu eigenlijk afgeschaft?”

Van Wassener meent op basis van een overgangsartikel in het BW het antwoord te hebben gevonden, wat talloze deskundigen kennelijk over het hoofd hebben gezien.

Welnu: ze zijn afgeschaft maar korte tijd later ook weer herboren (…).

Artikel 150, eerste lid, van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (van 3 april 1969) verklaart de van vóór 1838 bestaande oude zakelijke rechten tot register- goederen, hetgeen betekent, dat hun bestaan wordt erkend en dat levering (derhalve niet de verkrijging onder al- gemene titel) slechts kan geschieden door een notariële akte, gevolgd door de inschrijving in de openbare registers (kadaster).

Zoals hierboven uiteengezet, is dit onjuist. Het betreft hier alleen de restanten van heerlijke rechten in de vorm van zakelijke rechten. Het kenmerk van de heerlijke rechten, namelijk het overheidsgezag, is niet meer aan de orde. Het zijn dus geen heerlijke rechten meer, maar zakelijke rechten, die hun oorsprong in heerlijke rechten hebben gehad.

Naamsgebruik

Mr. A.J.F. Fokker, heer van Crayestein en Rengerskerke (1857-1929), lid Eerste Kamer.

In Nederland was het gebruikelijk dat de eigenaar van een heerlijkheid de naam daarvan achter zijn geslachtsnaam voegde om aan te geven dat hij de heer was van de betreffende heerlijkheid. Deze toevoeging maakte geen deel uit van zijn wettelijke geslachtsnaam en is te beschouwen als een eigendomsaanduiding. De circulaire die de minister van justitie in 1858 rond liet gaan, dat in officiële stukken een naam van een heerlijkheid nooit als deel van een geslachtsnaam mocht worden opgenomen, werd in de praktijk vaak genegeerd. Aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand werd vaak de naam van de heerlijkheid ten onrechte als deel van de geslachtsnaam opgegeven en vervolgens door de ambtenaar ingeschreven. Aan deze onjuiste opgave kon de betrokkene geen rechten ontlenen. In de praktijk was de kans groot dat in latere akten de onjuiste naam werd overgenomen, net zolang tot een ambtenaar een onderzoek deed naar de naam. Er zijn dus voorbeelden te noemen van geslachtsnamen waaraan de naam van de heerlijkheid is toegevoegd zonder dat er sprake is geweest van een Koninklijk Besluit.

Het stond mensen wel vrij om zich, zolang het geen officiële stukken betrof, te schrijven en ook te noemen met de naam van de heerlijkheid achter de geslachtsnaam.

Bij de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 was het gebruikelijk dat de eigenaar van de heerlijkheid de naam van zijn heerlijkheid achter zijn geslachtsnaam voegde met daartussen het woord van. Kinderen van de heer lieten tussen hun geslachtsnaam en de naam van de heerlijkheid het woord tot zetten.

Tegenwoordig geldt nog steeds de ongeschreven regel dat iemand die een voormalige heerlijkheid alleen bezit, in het maatschappelijk verkeer de aanduiding van heer of vrouwe van gevolgd door de naam van de heerlijkheid voert. Als er sprake is van een gemeenschappelijk bezit, noemen de eigenaren zich heer of vrouwe in/tot gevolgd door de naam van de heerlijkheid. Volgens het huidige naamrecht maakt de naam van de heerlijkheid geen deel meer uit van de geslachtsnaam. De aanduiding ‘heer/vrouwe van’ of ‘heer/vrouwe in of heer/vrouwe tot’ wordt tegenwoordig met een komma gescheiden van de geslachtsnaam. De eigenaar van een huis/landerij hoeft dus niet dezelfde persoon te zijn die de heerlijkheid bezit. Omdat huizen en heerlijkheden vaak dezelfde naam hebben, en omdat de eigenaren zich er vaak naar vernoemden, kan het zijn dat de twee verschillende eigenaren dezelfde naam voeren.

Bewijs leveren van het bestaan van voormalige heerlijke rechten

Aardig (maar ook niet geheel juist) is Van Wassenaer’s poging om juridische advies te geven met betrekking tot het bezitten van voormalige heerlijke rechten. Van Wassenaer noemt (kort gezegd) onder meer:

  1. vergaar het bewijs dat u de rechtmatige opvolger bent van de “Heerlijke rechten”;
  2. vergaar bewijs van de locatie van de “Heerlijke rechten”;
  3. vergaar het bewijs wat deze rechten inhouden of in hebben gehouden.

Van Wassenaer bedoelt met “Heerlijke rechten”, naar mijn mening de voormalige heerlijke rechten of de resterende zakelijke rechten.

Bijzonder interessant is Van Wassenaer’s advies met betrekking tot het gebruik van voormalige heerlijkheidsnamen in combinatie met de geslachtsnaam (p. 45):

Dr. Maurits Willem Raedinck van Vollenhoven (1882 – 1976), heer van Kleverskerke, diplomaat en grootprior Orde van Sint Lazarus.

Voer, in de meer offciële stukken, (overlijdensbericht, testament, etc.) de naam (dus X van Amsterdam van Den Haag) en titel (Heer van Amsterdam en Den Haag) en neem een passage in uw testament op, waarin u deze zaken (de rechten, de naam en de titel) uitdrukkelijk benoemt en “doorgeeft”, al dan niet per legaat. Bij het testament zou u kunnen opnemen dat het uw wens is dat, de traditie getrouw, dit alles ook vervolgens telkens aan (bijvoorbeeld en afhankelijk van de bij uw familie levende traditie uiteraard) de oudste zoon en zo verder zal worden overgedragen aan de nazaten binnen de familie.

Ik kan het hier alleen maar mee eens zijn, wel met de aantekening dat hiermee geen zakelijk recht wordt beschermd maar – in juridische zin – eerder een naamsonderdeel. Ik moet erkennen dat ik hier nog niet precies de vinger op kan leggen. Een ander prima advies van Van Wassenaer heeft betrekking op registratie in het kadaster (p. 45):

Hoewel ik in het vorenstaande aangaf dat bij vererving geen inschrijving in het kadaster nodig is (slechts bij verkoop aan derden is dat nu voorwaarde), zou het de rechtszekerheid voor u, uw nakomelingen en derden zeer helpen, indien u deze rechtspositie via een notariële akte daarin zou (doen) registreren. Dan is het maar duidelijk. Bij latere verervingen verdient het dan aanbeveling om het kadaster up to date te houden.

Of dit mogelijk is met een “titel” heer van (….) is naar mijn mening nog maar de vraag omdat niet duidelijk is of sprake is van een recht. Zakelijke rechten kunnen wel in het kadaster worden opgenomen door de notaris. Naar mijn mening moet de titel “heer van (…)” eerder in historische zin worden bezien. Als de titel onterecht wordt gebruikt, kan onder omstandigheden sprake zijn van een onrechtmatige daad in die zin dat ten onrechte wordt gesuggereerd dat er een eigendom of bezit is van een onroerende zaak van dezelfde naam.

Relatie met de familie

Een voorbeeld van een heerlijkheidsrecht is het collatierecht (in het Latijn “præsentatio sive collatio” en in het katholiek kerkelijk recht “jus patronatus”). Deze term houdt in het recht om een geestelijke, een pastoor of een dominee, voor te dragen ter benoeming. Het recht was erfelijk en werd in Nederland in 1922 afgeschaft met de bepaling dat de eigenaar het recht tot zijn of haar dood mocht blijven uitoefennen. In een aantal gevallen was het collatierecht verbonden aan een havezate, zoals bij Oosterbroek (zie: Collatierecht – Encyclopedie Drenthe Online), waarvan A.H. van Bergen eigenaar was.

In de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 21 september 1990, nr. R02.88.1390 (p. 4), is bepaald dat een lid van de huidige generatie “in rechte mannelijke lijn afstamt van Anton Quast, die naar de Afdeling is gebleken, rechthebbende was ten aanzien van de heerlijkheid Odenkirchen“. Odenkirchen is gelegen in de omgeving van Mönchengladbach.

Opmerking

Dit artikel is voor een belangrijk deel ontleend aan de boeken van de heren Delahaye en Ketelaar.

Literatuur

C.E.G. ten Houte de Lange en V.A.M. van der Burg, Heerlijkheden in Nederland, Hilversum, Verloren, 2008.

F.C.J. Ketelaar, Oude zakelijke rechten, vroeger, nu en in de toekomst (Les survivances du ‘système féodal’ dans le droit néerlandais au XIXe et au XXe sciècle) (Leiden/Zwolle 1978).

J.Ph. de Monté ver Loren, ‘Bestaan er nog heerlijkheden en hoe te handelen met aan heerlijkheden ontleende namen?’, De Nederlandsche Leeuw 1961, kol. 394-400.

A. Delahaye, Vossemeer, land van 1000 heren, NV Ambachtsheerlijkheid Oud en Nieuw Vossemeer 1969.

A.S. de Blecourt, Kort begrip van het Oud-Vaderlandsch Burgerlijk Recht I, Groningen-Batavia, 1939, p. 328.

Memorie ter wederlegging der gronden en redeneringen, vervat bij nadere missive van den Raad der Binnenlandsche Zaaken der Bataafsche Republiek op den 11 April 1804 wegens de zaak der heerlijkheden aan het Staatsbewind geschreven van wegens een groot aantal geinteresseerdens bij Stichtse heerlijkheden aan het Wetgevend Lichaam der Bataafsche Republiek overgegeven : met eenige daartoe behorende bijlagen. – Utrecht : Wild en Altheer, 1805. – [2], 207 p. ; 23 cm – Note: Ex. RGS-GS gebonden bij: Korte verhandeling over de ambachtsheerlijkheeden en derzelver lot, zeedert den jaare 1795.

Noten

1. Artikel 24 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels luidt: “Alle eigenlijk gezegde Heerlijke Regten en Tituls, waardoor aan een bijzonder Persoon of Lichaam zou worden toegekend eenig gezag omtrent het Bestuur van Zaken in eenige Stad, Dorp of Plaats, of de aanstelling van deze of gene Ambtenaaren binnen dezelve, worden, voor zoo verre die niet reeds met de daad zijn afgeschaft, bij de aanneming der Staatsregeling, zonder eenige Schaêvergoeding, voor altijd vernietigd.”

2. Deze artikelen luiden als volgt:
Artikel 25.
-1. Alle Tiend-, Cijns-, of Thijns-, Na-koops-, Afstervings-, en Naastings-Regten, van welken aard, midsgaders alle andere Regten of Verpligtingen, hoe ook genoemd, uit het leenstelsel of Leenrecht afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch vrijwillig en wettig verdrag, worden, met alle de gevolgen van dien, als strijdig met der Burgeren gelijkheid en vrijheid, voor altijd vervallen verklaard.
– 2. Het Vertegenwoordigend Lichaam zal, binnen agttien Maanden, na Deszelfs eerste zitting, bepaalen den voet en de wijze van afkoop van alle zoodanige regten en renten, welke als vruchten van wezenlijken eigendom kunnen beschouwd worden. Geene aanspraak op pecunieele vergoeding, uit de vernieting van gemelde Regten voordvloeijende, zal gelden, dan welke, binnen zes Maanden na de aanneming der Staatsregeling, zal zijn ingeleverd.

Artikel 27.
Alle burgers hebben, ten alle tijde, het regt, om, met uitsluiting van anderen, op hunnen eigen of gebruikten, grond te Jagen, te Vogelen en te Visschen. Het Vertegenwoordigend Lichaam maakt, binnen zes Maanden na Deszelfs eerste zitting, bij Reglement, de nodige bepaaling, om, ten dezen opzigte, de openbaare veiligheid en eigendommen der lngezetenen te verzekeren, en zorgt, dat noch de Visscherijen bedorven, noch de Landgebruiker bij eenige Wet of Beding, belet worde, allen Wild op zijnen gebruikten grond te vangen, noch ook, dat een ander daarop zal mogen Jagen of Visschen zonder zijne bewilliging.

Artikel 53.
Bij de aanneming der Staatsregeling, worden vervallen verklaard alle Gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neeringen, Ambagten, of Fabrieken. Ook heeft ieder Burger, in welke Plaats woonachtig, het regt zoodanige Fabriek of Trafiek opterigten, of zoodanig eerlijk bedrijf aantevangen, als hij verkiezen zal. Het Vertegenwoordigend Lichaam zorgt, dat de goede orde, het gemak en gerief der Ingezetenen, ten dezen opzigte, worden verzekerd.

 

Naschrift

Onlangs ontdekte ik een belangrijk stuk van mr W. Lunsingh Tonckens die – onafhankelijk van mij – tot een vergelijkbare conclusie komt (De Nederlandsche Leeuw, jaargang 39, kolommen 285-286):

“Heerlijkheden bestaan hier te lande dus niet meer. Daar het onmogelijk is om eigenaar te zijn eender niet bestaande zaak, kan men heerlijkheden niet erven of koopen”

en:

“Hij, die ten onrechte den naam eener heerlijkheid als deel van een geslachtsnaam opgeeft of draagt, valt niet onder het bereik onzer strafwet en loopt alleen in het weinig waarschijnlijke geval, dat daardoor aan een ander nadeel wordt toegebracht, gevaar, dat eene burgerlijke rechtsvordering tegen hem wordt ingesteld (artikel 1401) van het Burgerlijk Wetboek).”

Advertenties