Wat is de juridische status van “het recht om zich heer/vrouwe van [naam heerlijkheid] te noemen”?

Onderzoeksvraag

Door de heer mr E.J. Wolleswinkel, voormalig secretaris van de Hoge Raad van Adel, wordt in Virtus, Jaarboek voor Adelsgeschiedenis 16, p. 210 (De boekstaving van distinctiegedrag) een vraag gesteld die mij al geruime tijd bezig houdt. Wolleswinkel uit zich terecht kritisch ten opzichte van de stelling dat er in Nederland een recht zou bestaan om zich “heer/vrouwe van/in” een bepaalde voormalige heerlijkheid te noemen. Zijn bedenkingen zijn correct: wat voor recht dit is, wordt in het door hem besproken werk niet duidelijk omdat deze hoedanigheden niet in de burgerlijke stand worden opgenomen. In deze bijdrage doe ik een poging om hierover duidelijkheid te geven.

Naamsgebruik

Anna Quevellerius, Vrouwe van Sint Pancras van 1740 tot 1756. Geschilderd door Jan Abel Wassenberg Sr. (omstreeks 1720). Collectie Groninger Museum, Foto John Stoel.

In de achttiende eeuw, toen heerlijkheden nog bestonden, was het gebruik om aan de naam de betiteling “heer/vrouwe van [naam heerlijkheid]” toe te voegen. Professor J.P. de Monte ver Loren schrijft hierover in De Nederlandsche Leeuw van november 1961 (kolom 398):

“Vanouds was het gebruik, dat de bezitter van een heerlijkheid de naam daarvan achter zijn geslachtsnaam voegde ter aanduiding van het feit, dat hij heer van de betreffende heerlijkheid was. Ook tegenwoordig wordt dit gebruik soms nog gevolgd.

Aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand werd bij de invoering en daarna vaak de naam van de heerlijkheid ten onrechte als deel van de geslachtsnaam opgegeven en vervolgens door de ambtenaar ingeschreven. Aan deze onjuiste opgave kon de betrokkene geen rechten ontlenen. De circulaire die de minister van justitie in 1858 rond liet gaan, dat in officiële stukken een naam van een heerlijkheid nooit als deel van een geslachtsnaam mocht worden opgenomen, werd in de praktijk vaak genegeerd, maar bewijst wel dat het hier om een gewoonte ging. In Nederland’s Adelsboek en Nederland’s Patriciaat zijn talloze voorbeeld te vinden die deze praktijk bewijzen met concrete voorbeelden. Ook een recent artikel van mr J. van Wassenaer bevestigt dit.

Een belangrijke bijdrage aan de inventarisatie van de combinatie geslachtsnaam/heerlijkheid is geleverd door de heer C.E.G. ten Houte de Lange in zijn werken: Het Dubbele Namen Boek en Heerlijkheden in Nederland : welke namen van heerlijkheden worden nog gevoerd sinds 1848?. 

Met andere woorden, er kan worden gesteld dat er een gewoonte bestond en bestaat binnen de groep van (voormalige) heerlijkheid bezitters om (1) de betiteling heer/vrouwe van/tot [naam (voormalige) heerlijkheid] te voeren en (2) aan de geslachtsnaam de naam van de heerlijkheid toe te voegen, voorafgaand door een “van” of “tot”.

Typering

In de uitspraak van de Hoge Raad van 20 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:395) is overwogen dat het karakter van oude zakelijke rechten kan wijzigen en dat hiervoor aansluiting kan worden gezocht bij hetgeen met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld met betrekking tot de daadwerkelijke uitoefening van het recht gedurende de meest recente periode (r.o. 3.5.2):

Oude zakelijke rechten als dat van de dertiende penning worden, bij gebreke van een wettelijke regeling, beheerst door het gewoonterecht. Weliswaar moeten deze rechten krachtens art. 1 van de Wet van 16 mei 1829, Stb. 29, worden geëerbiedigd, maar dit betekent niet dat de sedertdien ingevoerde algemene regels van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van die rechten niet van belang zijn. Voorts lenen die rechten zich voor verdere ontwikkeling op grond van zich wijzigende maatschappelijke omstandigheden. Ingeval onzekerheid bestaat omtrent wat gewoonte is, kan aansluiting worden gezocht bij hetgeen met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld met betrekking tot de daadwerkelijke uitoefening van het recht gedurende de meest recente periode (vgl. onder meer HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1414, NJ 1995/547 en HR 20 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2394, NJ 1999/302).

Gevolgen

Naar mijn mening is het gevolg van voorgaande jurisprudentie dat het voeren van de betiteling en de toevoeging van de naam, moet worden gezien als een gewoonterecht. Dit recht is in de loop van de tijd van karakter veranderd. Er zijn immers geen eigenlijke heerlijke rechten meer. Dat de betiteling waarde heeft, blijkt uit het feit dat er in het economisch verkeer waarde aan gehecht worden: er worden nog steeds voormalige heerlijkheidsrechten en -titels verhandeld. IJdelheid is hiervoor de voornaamste drijfveer, denk ik. Er is sprake van een recht omdat het gebruik van titel en naam een bepaalde relatie met het goed impliceert die een inbreuk kan maken op de rechten van de eigenaar van dat goed en zodoende leidt tot een onrechtmatige daad, als hiervoor geen juridische grondslag is. Tot een vergelijkbare conclusie kwam mr W. Lunsingh Tonckens al een eeuw geleden (De Nederlandsche Leeuw, jaargang 39, kolommen 285-286):

“Heerlijkheden bestaan hier te lande dus niet meer. Daar het onmogelijk is om eigenaar te zijn eender niet bestaande zaak, kan men heerlijkheden niet erven of koopen”

en:

“Hij, die ten onrechte den naam eener heerlijkheid als deel van een geslachtsnaam opgeeft of draagt, valt niet onder het bereik onzer strafwet en loopt alleen in het weinig waarschijnlijke geval, dat daardoor aan een ander nadeel wordt toegebracht, gevaar, dat eene burgerlijke rechtsvordering tegen hem wordt ingesteld (artikel 1401) van het Burgerlijk Wetboek).”

De conclusie is dus dat er sprake is van een immaterieel vermogensrecht dat ontstaan is door gewoonte. Het betreffende recht is een absoluut recht – dat kan worden geldend gemaakt tegenover in beginsel willekeurig welke derde – op het betreffende immateriële voorwerp (gebruik titel/benaming) en het geeft de rechthebbende een exclusief gebruiksrecht op dat immateriële voorwerp.

Vanaf het moment van het ontstaan van het recht wordt het in beginsel geabstraheerd van de persoon van de originaire rechthebbende en leidt het gewoonterecht een eigen leven dat niet meer beïnvloed wordt door omstandigheden waarin de originaire rechthebbende in de toekomst komt te verkeren. Zoals het eigendomsrecht op een fiets los staat van de wederwaardigheden van de oorspronkelijke eigenaar, maar enkel door de lotgevallen van de fiets wordt bepaald, zo staat het gewoonterecht los van de verdere levensloop van de eerste rechthebbende en is het voortbestaan van het recht hooguit afhankelijk van de lotgevallen van het immateriële voorwerp zelf. Een beetje vergelijkbaar met een auteursrecht dus.

Commentaar/alternatieve denkwijzen zijn van harte welkom.

Reacties:

Dr. Olaf van Hees (FB 26 juli 2018) 

  • Na de afschaffing van de heerlijkheden in 1848 hebben de leden van de familie Van Hees (Van Berkel en Rodenrijs en den Tempel) familiebreed besloten de naam Van Hees van den Tempel te voeren, ook door de 2e en 3e graad leden, immers afkomstig van eenzelfde stam. Het gebruik van de toevoeging is sinds het begin van de 20e eeuw zodanig verwaterd dat niemand dit meer gebruikt.

Mr Dries-Jan van Huykelom van de Pas (E-mail 26 juli 2018) 

  • “Naar mijn mening is het gevolg van voorgaande jurisprudentie dat het voeren van de betiteling en de toevoeging van de naam, moet worden gezien als een gewoonterecht. Dit recht is in de loop van de tijd van karakter veranderd. Er zijn immers geen eigenlijke heerlijke rechten meer”.

Ik heb bezwaar tegen de opvatting dat er geen heerlijke rechten meer zouden bestaan. Toonaangevende wetenschappers, waaronder Ketelaar, zijn van mening dat enkele, nog bestaande, heerlijke rechten een regale oorsprong hebben. Zo is het visrecht afgeleid van het stroomregaal. Ketelaar neemt afstand van het onderscheid dat De Blécourt aanvankelijk maakte tussen eigenlijke en oneigenlijk heerlijke rechten. Hij schrijft:  “het heerlijk karakter is juist een wezenlijk aspect van de ambachtsgevolgen” (F.C.J. Ketelaar, “Oude zakelijke rechten, vroeger, nu en in de toekomst”, Universitaire Pers Leiden, Tjeenk Willink 1978, p. 12-13.). Met andere woorden, heerlijke rechten bestaan nog steeds.

  • “De conclusie is dus dat er sprake is van een immaterieel vermogensrecht dat ontstaan is door gewoonte”

Deze conclusie deel ik. In de vroege Middeleeuwen konden alleen edellieden eigenaar zijn van een heerlijkheid. De titel ‘heer van’ (dominus) is van oorsprong de aanspreektitel voor een ridder. Hoewel het dus geen adellijke titel is duidde het gebruik van de aanspreektitel er destijds wel op dat de geadresseerde van adel was. In de oudste charters uit de Middeleeuwen wordt daarom iedere eigenaar van een heerlijkheid ‘heer van’ genoemd. Als het in de latere Middeleeuwen niet langer verplicht is om van adel te zijn om eigenaar van een heerlijkheid (met uitzondering van Zeeland) te zijn, wordt het woord ‘heer van’ niet genoemd in de charters, terwijl de eigenaars wel ‘heer van’ werden genoemd en als dusdanig werden erkend. Het ridderlijke ‘heer van’ is aldus in de loop van de tijd los komen te staan van het zijn van ridder en duidt sindsdien op het bezit van een heerlijkheid. Daarmee is een heerlijkheidstitel toen vooral een functie-aanduiding geworden voor de eigenaar van de heerlijke rechten, en met name van het recht op jurisdictie.In al mijn onderzoek naar (de status van) heerlijkheden ben ik nergens een bepaalde vorm van codificatie van het recht tot het voeren van de titel tegengekomen. Er zijn ook geen historici, noch rechtswetenschappers die van een wettelijke of anderszins juridische grondslag gewag maken. In dit licht is artikel 24 uit de staatsregeling van 1798 van belang, waarin – zonder enige onduidelijkheid – de heerlijke rechten en titels zijn afgeschaft:

Alle eigenlijk gezegde Heerlijke Regten en Tituls, waardoor aan een bijzonder Persoon of Lichaam zou worden toegekend eenig gezag omtrent het Bestuur van zaken in eenige Stad, Dorp of Plaats, of de aanstelling van deze of gene Ambtenaaren binnen dezelve, worden, voor zoo verr’ die niet reeds niet de daad zijn afgeschaft, bij de aanneming der Staatsregeling, zonder eenige schaêvergoeding, voor altijd vernietigd.”

Hiermee is zeer waarschijnlijk het recht tot het voeren van de titel ‘heer van’ afgeschaft, aangezien de revolutionairen uit die tijd sterk gekant waren tegen het feodalisme. Heerlijkheden, meer nog dan briefadel, waren hier een belangrijk onderdeel van. Zeker is wel dat met artikel 15 van de staatsregeling van 1801 artikel 24 van de staatsregeling van 1798 werd ingetrokken:

Alle algemeene Wetten en bepalingen, welke sedert het begin van den Jare 1795 gederogeerd hebben aan de waarde van Eigendommen of wettig verkregen Bezittingen, zyn aan herziening onderworpen. Een ieder die door dezelve benadeeld is geworden, kan zich deswegen aan het Staats-Bewind vervoegen, het welk, naar bevind van zaken de afschaffing of verbetering van die Wetten, alsmede eene billyke schadeloosstelling, voordraagt aan het Wetgevend Lichaam.

Heerlijkheden, c.q. heerlijke rechten, als verhandelbare vermogensrechtelijke zaak/zaken vallen hier onder. De titel, als die al was afgeschaft in 1798, is daardoor nog bestaand: er is na  1798 geen enkele wettelijke bepaling die er op ziet om (het gebruik van) de titel af te schaffen.

  • “De conclusie is dus dat er sprake is van een immaterieel vermogensrecht dat ontstaan is door gewoonte. Het betreffende recht is een absoluut recht – dat kan worden geldend gemaakt tegenover in beginsel willekeurig welke derde – op het betreffende immateriële voorwerp (gebruik titel/benaming) en het geeft de rechthebbende een exclusief gebruiksrecht op dat immateriële voorwerp.”

Zeer juist. Tot slot wil ik je nog op het volgende wijzen:

In 1814 zijn er een aantal Soevereine Besluiten uitgevaardigd door Willem I, waarmee een aantal heerlijke rechten werden hersteld. Je hebt daar een mooi artikel over geschreven, dus daarover zal ik niet uitweiden. Wel van belang is de tekst van deze artikelen. Hierin wordt namelijk vrijwel altijd gesproken over “ambachtsheeren”, “heeren”, slechts in één enkel geval ook over “voormalige heeren”. Uitgaande van een redactionele wetsinterpretatie zou ik durven stellen dat de titel inderdaad 1798 heeft overleefd en in deze artikelen wordt bevestigd.

Advertenties