De huidige juridische status van Nederlandse heerlijkheidsrechten

Gerard Martinus (Gerry) del Court van Krimpen, heer van Krimpen (1889 – 1944). Del Court behoorde tot een Amsterdams regentengeslacht.

In het werk van C.E.G. ten Houte de Lange, ‘Heerlijkheden in Nederland‘ wordt een heerlijkheid beschreven als: “een conglomeraat van rechten en plichten die betrekking hebben op het bestuur van een bepaald territorium en die in particuliere handen zijn” . Door de hoogleraar A.S. de Blecourt wordt een heerlijkheid in subjectieve zin gedefinieerd als het recht om regeermacht uit te oefenen (aanvankelijk van overheidswege, later door particulieren) met daaraan verknochte heerlijke rechten, krachtens een absoluut vermogensrecht. Heerlijkheid in objectieve zin is het grondgebied, waarbinnen heerlijke rechten kunnen worden uitgeoefend. Het is interessant om na te gaan in hoeverre heerlijke rechten momenteel nog juridische waarde hebben.

Rechtshistorische aspecten

In de nieuwe rechtsorde van 1795, die in Nederland de Bataafse Republiek invoerde, was het instituut van de ambachtsheerlijkheden moeilijk te verenigen met Liberté, égalité, fraternité. In dat licht  beoogde de Staatsregeling van 1798 definitief een einde te maken aan heerlijke rechten. De eigenlijke heerlijkheden in institutionele zin werden direct afgeschaft en de gevolgen werden voor voor onwettig verklaard. Bepaalde rechten werden met name genoemd, maar voor de zekerheid werd alles nog maar een keer samengevat in een soort technisch-juridische formule, die voor waterdicht werd gehouden: “mitsgaders alle andere regten en verplichtingen, hoe ook genoemd, uit het leenstelsel of leenrecht afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch, vrijwillig en wettig verdrag”. Iedereen mocht nog wel op zijn eigen grond jagen. De honoraire (“honorabele”) rechten werden afgeschaft zonder enige schadevergoeding. Voor de geldelijke (“profitabele”) rechten moest binnen zes maanden na datum opgave worden gedaan.

In de nieuwe Staatsregelingen van 1801 en 1805 is de grondgedachte uit 1798 geheel overgenomen. Volgens de regeling van 1801 werd het leenrecht volledig afgeschaft. Alle leenroerige goederen werden als allodiaal (= vrije, oorspronkelijke, erfelijke eigendom van de bezitter) bestempeld. De wet zou aan de leenheren (feodaal) een schadeloosstelling toekennen. Dit laatste is in de Staatsregeling van 1805 nogmaals toegezegd, maar met de uitvoering is nooit een begin gemaakt. Deze bepalingen leidden er wel toe, dat de Hoge Raad in 1882 besliste, dat de rechten van de ambachtsheren in 1798 niet vervallen waren, maar dat zij mede door de regelingen van 1801 en 1805, van feodaal tot allodiaal geworden waren. In 1803 bracht de Raad van Binnenlands Bestuur het advies uit, dat een schadevergoeding voor het gemis der “eigenlijk gezegde” rechten (voortkomend uit de jurisdictie) billijk was te achten. Van de andere rechten oordeelde de Raad er een groot deel in strijd met de burgerlijke vrijheid waren. Deze rechten zouden afkoopbaar gesteld moeten worden.

Tot een genuanceerder advies kwamen in 1803 de landsadvocaten in hun rapport aan het Departementaal Bestuur van Holland. Volgens hen bestond er een recht op schadevergoeding, dat trouwens in de wet was vastgelegd. De financiën van de staat lieten dit echter niet toe.

Op 9 juni 1806 herstelde de regering de ambachtsheren in een deel van hun oude rechten. Voordat aan de nieuwe wet uitvoering was gegeven, werd Lodewijk Napoleon gekroond tot koning van Holland. De nieuwe koning wilde de afschaffing van alle heerlijke rechten tegen een schadevergoeding. Dit ging recht tegen het ontwerp van wet in. De koning droeg de Staatsraad op een nieuw voorstel te formuleren. In 1809 is een ontwerp aangeboden, dat in de grote lijn neerkwam op de afschaffing van de jurisdictie en de bevoegdheden, maar de profitabele rechten voor een groot deel wilde handhaven. Aan dit ontwerp onthield Lodewijk Napoleon zijn goedkeuring. Toen in 1810 Holland bij het Keizerrijk werd ingelijfd, besliste de Raad van Ministers het ontwerp tot regeling van de heerlijke rechten aan te houden. De wetten van het Keizerrijk, die sindsdien voor het land van toepassing waren, raakten de vroegere heerlijke rechten nergens direct. Alleen voor het recht van aanwas is een Keizerlijk decreet van betekenis geweest. In 1813, toen het Koninkrijk der Nederlanden ontstond, was in feite nog niets veranderd sinds de onduidelijke Staatsregeling van 1798 (een omvangrijke en ingewikkelde materie) wel was omgeploegd, maar niet geregeld.

Actuele status van heerlijke rechten

Apollonius Jan Cornelis Lampsins (1754 – 1834), Baron van Tobago (Lodewijk XIV, 1662), heer van Swieten. Lampsins behoorde tot de Zeeuwse redersfamilie.

Van oudsher zijn aan genoemde goederen verbonden zogenoemde eigenlijke heerlijke rechten en heerlijkheidsgevolgen (accrochementen), ook wel oneigenlijke heerlijke rechten genaamd. De eigenlijke heerlijke rechten waren oudtijds de in de handel zijnde rechten op overheidsgezag. Begunstigd door de omstandigheid dat in het oud-vaderlandse recht ten tijde van de Republiek geen scherp onderscheid werd gemaakt tussen privaat- en publiekrecht, hebben deze rechten zich tot de Bataafse omwenteling onverkort weten te handhaven. Met artikel 24 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels van de Staatsregeling van 1798 werden zij afgeschaft,¹ maar zestien jaar later bij Souverein Besluit van 26 maart 1814 (Stb. 1814, 46) in getemperde vorm hersteld, namelijk als recht van voordracht voor de vervulling van belangrijke gemeentebedieningen en als recht tot aanstelling in kleinere gemeentebedieningen. Deze rechten werden bij de grondwetsherziening van 1848 afgeschaft ingevolge het eerste lid van het toenmaals ingevoegde additionele artikel. Bij de grondwetsherziening van 1922 werd de werking van deze bepaling uitgebreid tot het kerkelijk collatierecht (het recht iemand in een kerkelijke betrekking voor te dragen of te benoemen). De afschaffing van de in het eerste lid van additioneel artikel I vermelde rechten heeft dus in 1848 respectievelijk 1922 definitief zijn beslag gekregen.

De overige, de zogenaamde oneigenlijke heerlijke rechten, zijn de rechten die de heer kon uitoefenen naast zijn recht op overheidsgezag. Evenals de eigenlijke heerlijke rechten waren dit oudtijds zaken in de handel. De Staatsregeling van 1798 bevatte een drietal bepalingen welke de hier bedoelde rechten limiteerden, namelijk de artikelen 25, 27 en 53 van de Grondregels.²

Als gevolg van de verwarrende redactie van artikel 25 bleef voor tal van rechten grote onzekerheid bestaan. Voor wat betreft een aantal heerlijkheidsgevolgen, bijvoorbeeld het veerrecht, het recht op aanwassen en rechten betreffende dijken en wegen, kan wel als vaststaand worden aangenomen dat zij zijn blijven bestaan. Het eerdergenoemd Souverein Besluit van 26 maart 1814 herstelde onder andere de jacht- en visrechten.

Bij de grondwetsherziening van 1848 werd het niet noodzakelijk geoordeeld de oneigenlijke heerlijke rechten te schrappen, zoals dit met de nog resterende eigenlijke heerlijke rechten geschiedde. De wetgever zou zulks desgewenst later wel kunnen doen. In het tweede lid van het additionele artikel werd dit tot uitdrukking gebracht. Het artikellid maakt tevens gewag van schadeloosstelling van de eigenaren.

Sindsdien heeft de wetgever enige regelingen getroffen (de Verenwet (Wet van 5 juli 1921, Stb. 1921, 838), de eigenlijke heerlijke rechten 1923 (Wet van 2 juli 1923, Stb. 1923, 331) en verschillende opeenvolgende visserijwetten (laatstelijk de Wet van 30 mei 1963, Stb. 1963, 312)). Geheel verdwenen zijn de oneigenlijke heerlijke rechten echter nog niet, al worden zij niet geheel door oud-vaderlands recht beheerst (vgl. HR 20 februari 1931, NJ 1931, blz. 1563, handelend over een heerlijk visrecht). Nog bestaande oneigenlijke heerlijke rechten kunnen in de praktijk worden opgevat als gewone zakelijke rechten (Kamerstukken II 1976-1977, 14 457 (eerste lezing)).

De aard van genoemde rechten staat eraan in de weg dat het kan tenietgaan doordat er het gedurende lange tijd geen gebruik van wordt gemaakt; “non-usus”. De omstandigheid dat het bestaan van de rechten niet kan afleiden uit de openbare registers, brengt niet mee dat aangenomen moet worden dat de rechten niet (meer) bestaan (zie onder meer Gerechtshof Amsterdam 23 maart 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9231 en Gerechtshof Amsterdam 2 oktober 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1161).

Door de advocaat J. van Wassenaer wordt in “Van Adel”, Nieuwsbrief van de Nederlandse Adelsvereniging, zomer 2017 (p. 44) de vraag gesteld of heerlijke rechten zijn afgeschaft.

Met name na de Tweede Wereldoorlog werd, net als onze “gewone” adellijke titels, het voeren van de titel “Heer van ..” veelal maar beter achterwege gelaten. Ook hier lijkt echter te gelden, dat er zich sinds eind jaren negentig een kentering in de belangstelling voordoet. Zelfbewustzijn en historisch besef zullen hieraan zeker (mede) debet zijn. Leek voorheen het vaste credo: “de Heerlijke rechten zijn afgeschaft!”, sindsdien is het meer een vráág: “zijn die Heerlijke rechten nu eigenlijk afgeschaft?”

Van Wassener meent op basis van een overgangsartikel in het BW het antwoord te hebben gevonden, wat talloze deskundigen kennelijk over het hoofd hebben gezien.

Welnu: ze zijn afgeschaft maar korte tijd later ook weer herboren (…).

Artikel 150, eerste lid, van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (van 3 april 1969) verklaart de van vóór 1838 bestaande oude zakelijke rechten tot register- goederen, hetgeen betekent, dat hun bestaan wordt erkend en dat levering (derhalve niet de verkrijging onder al- gemene titel) slechts kan geschieden door een notariële akte, gevolgd door de inschrijving in de openbare registers (kadaster).

Zoals hierboven uiteengezet, is dit onjuist. Het betreft hier alleen de restanten van heerlijke rechten in de vorm van zakelijke rechten. Het kenmerk van de heerlijke rechten, namelijk het overheidsgezag, is niet meer aan de orde. Het zijn dus geen heerlijke rechten meer, maar zakelijke rechten, die hun oorsprong in heerlijke rechten hebben gehad.

Naamsgebruik

Mr. A.J.F. Fokker, heer van Crayestein en Rengerskerke (1857-1929), lid Eerste Kamer.

In Nederland was het gebruikelijk dat de eigenaar van een heerlijkheid de naam daarvan achter zijn geslachtsnaam voegde om aan te geven dat hij de heer was van de betreffende heerlijkheid. Deze toevoeging maakte geen deel uit van zijn wettelijke geslachtsnaam en is te beschouwen als een eigendomsaanduiding. De circulaire die de minister van justitie in 1858 rond liet gaan, dat in officiële stukken een naam van een heerlijkheid nooit als deel van een geslachtsnaam mocht worden opgenomen, werd in de praktijk vaak genegeerd. Aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand werd vaak de naam van de heerlijkheid ten onrechte als deel van de geslachtsnaam opgegeven en vervolgens door de ambtenaar ingeschreven. Aan deze onjuiste opgave kon de betrokkene geen rechten ontlenen. In de praktijk was de kans groot dat in latere akten de onjuiste naam werd overgenomen, net zolang tot een ambtenaar een onderzoek deed naar de naam. Er zijn dus voorbeelden te noemen van geslachtsnamen waaraan de naam van de heerlijkheid is toegevoegd zonder dat er sprake is geweest van een Koninklijk Besluit.

Het stond mensen wel vrij om zich, zolang het geen officiële stukken betrof, te schrijven en ook te noemen met de naam van de heerlijkheid achter de geslachtsnaam.

Bij de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 was het gebruikelijk dat de eigenaar van de heerlijkheid de naam van zijn heerlijkheid achter zijn geslachtsnaam voegde met daartussen het woord van. Kinderen van de heer lieten tussen hun geslachtsnaam en de naam van de heerlijkheid het woord tot zetten.

Tegenwoordig geldt de ongeschreven regel dat iemand die een heerlijkheid alleen bezit, de aanduiding van heer of vrouwe van gevolgd door de naam van de heerlijkheid voert. Als er sprake is van een gemeenschappelijk bezit, noemen de eigenaren zich heer of vrouwe in gevolgd door de naam van de heerlijkheid. Volgens het huidige naamrecht maakt de naam van de heerlijkheid geen deel meer uit van de geslachtsnaam. De aanduiding ‘heer/vrouwe van’ of ‘heer/vrouwe in’ wordt tegenwoordig met een komma gescheiden van de geslachtsnaam. De eigenaar van een huis/landerij hoeft dus niet dezelfde persoon te zijn die de heerlijkheid bezit. Omdat huizen en heerlijkheden vaak dezelfde naam hebben, en omdat de eigenaren zich er vaak naar vernoemden, kan het zijn dat de twee verschillende eigenaren dezelfde naam voeren.

Bewijs leveren van het bestaan van voormalige heerlijke rechten

Aardig (maar ook niet geheel onjuist) is Van Wassenaer’s poging om juridische advies te geven met betrekking tot het bezitten van voormalige heerlijke rechten. Van Wassenaer noemt (kort gezegd) onder meer:

  1. vergaar het bewijs dat u de rechtmatige opvolger bent van de “Heerlijke rechten”;
  2. vergaar bewijs van de locatie van de “Heerlijke rechten”;
  3. vergaar het bewijs wat deze rechten inhouden of in hebben gehouden.

Van Wassenaer bedoelt met “Heerlijke rechten”, naar mijn mening de voormalige heerlijke rechten of de resterende zakelijke rechten.

Bijzonder interessant is Van Wassenaer’s advies met betrekking tot het gebruik van voormalige heerlijkheidsnamen in combinatie met de geslachtsnaam (p. 45):

Dr. Maurits Willem Raedinck van Vollenhoven (1882 – 1976), heer van Kleverskerke, diplomaat en grootprior Orde van Sint Lazarus.

Voer, in de meer offciële stukken, (overlijdensbericht, testament, etc.) de naam (dus X van Amsterdam van Den Haag) en titel (Heer van Amsterdam en Den Haag) en neem een passage in uw testament op, waarin u deze zaken (de rechten, de naam en de titel) uitdrukkelijk benoemt en “doorgeeft”, al dan niet per legaat. Bij het testament zou u kunnen opnemen dat het uw wens is dat, de traditie getrouw, dit alles ook vervolgens telkens aan (bijvoorbeeld en afhankelijk van de bij uw familie levende traditie uiteraard) de oudste zoon en zo verder zal worden overgedragen aan de nazaten binnen de familie.

Ik kan het hier alleen maar mee eens zijn, wel met de aantekening dat hiermee geen zakelijk recht wordt beschermd maar – in juridische zin – eerder een naamsonderdeel. Ik moet erkennen dat ik hier nog niet precies de vinger op kan leggen. Een ander prima advies van Van Wassenaer heeft betrekking op registratie in het kadaster (p. 45):

Hoewel ik in het vorenstaande aangaf dat bij vererving geen inschrijving in het kadaster nodig is (slechts bij verkoop aan derden is dat nu voorwaarde), zou het de rechtszekerheid voor u, uw nakomelingen en derden zeer helpen, indien u deze rechtspositie via een notariële akte daarin zou (doen) registreren. Dan is het maar duidelijk. Bij latere verervingen verdient het dan aanbeveling om het kadaster up to date te houden.

Of dit mogelijk is met een “titel” heer van (….) is naar mijn mening nog maar de vraag omdat niet duidelijk is of sprake is van een recht. Zakelijke rechten kunnen wel in het kadaster worden opgenomen door middel van een notariele akte. Naar mijn mening moet de titel “heer van (…)” eerder worden in historische zin worden bezien. Als de titel onterecht wordt gebruikt, kan onder omstandigheden sprake zijn van een onrechtmatige daad in die zin dat ten onrechte wordt gesuggereerd dat er een eigendom of bezit is van een onroerende zaak.

Relatie met de familie

Een voorbeeld van een heerlijkheidsrecht is het collatierecht (in het Latijn “præsentatio sive collatio” en in het katholiek kerkelijk recht “jus patronatus”). Deze term houdt in het recht om een geestelijke, een pastoor of een dominee, voor te dragen ter benoeming. Het recht was erfelijk en werd in Nederland in 1922 afgeschaft met de bepaling dat de eigenaar het recht tot zijn of haar dood mocht blijven uitoefennen. In een aantal gevallen was het collatierecht verbonden aan een havezate, zoals bij Oosterbroek (zie: Collatierecht – Encyclopedie Drenthe Online), waarvan A.H. van Bergen eigenaar was.

In de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 21 september 1990, nr. R02.88.1390 (p. 4), is bepaald dat een lid van de huidige generatie “in rechte mannelijke lijn afstamt van Anton Quast, die naar de Afdeling is gebleken, rechthebbende was ten aanzien van de heerlijkheid Odenkirchen“. Odenkirchen is gelegen in de omgeving van Mönchengladbach.

Opmerking

Dit artikel is voor een belangrijk deel ontleend aan de boeken van de heren Delahaye en Ketelaar.

Literatuur

C.E.G. ten Houte de Lange en V.A.M. van der Burg, Heerlijkheden in Nederland, Hilversum, Verloren, 2008.

F.C.J. Ketelaar, Oude zakelijke rechten, vroeger, nu en in de toekomst (Les survivances du ‘système féodal’ dans le droit néerlandais au XIXe et au XXe sciècle) (Leiden/Zwolle 1978).

J.Ph. de Monté ver Loren, ‘Bestaan er nog heerlijkheden en hoe te handelen met aan heerlijkheden ontleende namen?’, De Nederlandsche Leeuw 1961, kol. 394-400.

A. Delahaye, Vossemeer, land van 1000 heren, NV Ambachtsheerlijkheid Oud en Nieuw Vossemeer 1969.

A.S. de Blecourt, Kort begrip van het Oud-Vaderlandsch Burgerlijk Recht I, Groningen-Batavia, 1939, p. 328.

Memorie ter wederlegging der gronden en redeneringen, vervat bij nadere missive van den Raad der Binnenlandsche Zaaken der Bataafsche Republiek op den 11 April 1804 wegens de zaak der heerlijkheden aan het Staatsbewind geschreven van wegens een groot aantal geinteresseerdens bij Stichtse heerlijkheden aan het Wetgevend Lichaam der Bataafsche Republiek overgegeven : met eenige daartoe behorende bijlagen. – Utrecht : Wild en Altheer, 1805. – [2], 207 p. ; 23 cm – Note: Ex. RGS-GS gebonden bij: Korte verhandeling over de ambachtsheerlijkheeden en derzelver lot, zeedert den jaare 1795.

Noten

1. Artikel 24 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels luidt: “Alle eigenlijk gezegde Heerlijke Regten en Tituls, waardoor aan een bijzonder Persoon of Lichaam zou worden toegekend eenig gezag omtrent het Bestuur van Zaken in eenige Stad, Dorp of Plaats, of de aanstelling van deze of gene Ambtenaaren binnen dezelve, worden, voor zoo verre die niet reeds met de daad zijn afgeschaft, bij de aanneming der Staatsregeling, zonder eenige Schaêvergoeding, voor altijd vernietigd.”

2. Deze artikelen luiden als volgt:
Artikel 25.
-1. Alle Tiend-, Cijns-, of Thijns-, Na-koops-, Afstervings-, en Naastings-Regten, van welken aard, midsgaders alle andere Regten of Verpligtingen, hoe ook genoemd, uit het leenstelsel of Leenrecht afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch vrijwillig en wettig verdrag, worden, met alle de gevolgen van dien, als strijdig met der Burgeren gelijkheid en vrijheid, voor altijd vervallen verklaard.
– 2. Het Vertegenwoordigend Lichaam zal, binnen agttien Maanden, na Deszelfs eerste zitting, bepaalen den voet en de wijze van afkoop van alle zoodanige regten en renten, welke als vruchten van wezenlijken eigendom kunnen beschouwd worden. Geene aanspraak op pecunieele vergoeding, uit de vernieting van gemelde Regten voordvloeijende, zal gelden, dan welke, binnen zes Maanden na de aanneming der Staatsregeling, zal zijn ingeleverd.

Artikel 27.
Alle burgers hebben, ten alle tijde, het regt, om, met uitsluiting van anderen, op hunnen eigen of gebruikten, grond te Jagen, te Vogelen en te Visschen. Het Vertegenwoordigend Lichaam maakt, binnen zes Maanden na Deszelfs eerste zitting, bij Reglement, de nodige bepaaling, om, ten dezen opzigte, de openbaare veiligheid en eigendommen der lngezetenen te verzekeren, en zorgt, dat noch de Visscherijen bedorven, noch de Landgebruiker bij eenige Wet of Beding, belet worde, allen Wild op zijnen gebruikten grond te vangen, noch ook, dat een ander daarop zal mogen Jagen of Visschen zonder zijne bewilliging.

Artikel 53.
Bij de aanneming der Staatsregeling, worden vervallen verklaard alle Gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neeringen, Ambagten, of Fabrieken. Ook heeft ieder Burger, in welke Plaats woonachtig, het regt zoodanige Fabriek of Trafiek opterigten, of zoodanig eerlijk bedrijf aantevangen, als hij verkiezen zal. Het Vertegenwoordigend Lichaam zorgt, dat de goede orde, het gemak en gerief der Ingezetenen, ten dezen opzigte, worden verzekerd.

Advertenties

The relation between genealogical and judicial truth

At the Rootstech 2016 conference, American genealogist James Ison made an interesting remark regarding direct and indirect genealogical evidence. Ison is currently Manager of Strategy and Planning at the Family History Library, an important genealogical research facility in Salt Lake City. The library is operated by FamilySearch, the genealogical arm of The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints. Ison earned a Master’s Degree from George Washington University. He is recognized as an authority in the field of genealogy. Ison stated:

Direct evidence is awesome. A birth certificate will list the name of parents. It’s direct evidence. It answers a question. A marriage license will say what the bride’s maiden name is. A baptismal record will say the dates and the places of birth—just exactly what we want.

(…)

Indirect evidence is like a puzzle piece. You can’t answer any particular question just based upon this piece of evidence. You have to fit it together.

In cases where only indirect evidence is available, the Genealogical Proof Standard is helpful in establishing credible research. The Standard is based on a book written by mrs Christine Rose; Genealogical Proof Standard: Building a Solid Case. It includes five essential steps for accurate research:

  1. Reasonably exhaustive research has been completed.
  2. Each statement of fact has a complete and accurate source citation.
  3. The evidence is reliable and has been skillfully correlated and interpreted.
  4. Any contradictory evidence has been resolved.
  5. The conclusion has been soundly reasoned and coherently written.
Sir Roger Charles Doughty Tichborne, original taken by Thomas Helsby in Santiago, January - February 1854

Sir Roger Charles Doughty Tichborne, original taken by Thomas Helsby in Santiago, January – February 1854

Applying the Genealogical Proof Standard does not guarantee that the truth will prevail, but it serves accountability and transparency. In my opinion genealogical proof resembles Lakatos views on the concept of truth. Lakatos’ suggested that in science, a scientific theory should be seen as a succession of slightly different theories and experimental techniques. These theories all share a common hard core, called a research programme. The question of whether a theory is true of false is replaced by the question of whether a research programme is progressive or degenerating. A progressive research programme is characterized by growth and prediction of novel facts and more precise predictions. In contrast, a degenerative program is marked by a lack of growth and does not lead to novel predictions that are later verified (Imre Lakatos, Philosophical papers. Vol I: The methodology of scientific research programmes. I. Science – Philosophy 2. Mathematics – Philosophy. I. Title 11.). Genealogical research can also contain some of these characteristics. After establishing the basic facts (often in the form of a family tree), theories regarding missing facts can be based on indirect evidence. To a certain extend, they can be characterized as a prediction for finding direct evidence (e.g. a marriage certificate). If, for example, someone has lived and worked in England for all his life, it can be predicted that he has married in England and research regarding his marriage should not start in South America. A genealogical progressive research programme elaborates on certain basic findings and develops theories (in the form of predictions) about the missing information.

In some cases, genealogical evidence is used in legal matters. Legal evidence has a totally different character, in particular when court rulings are given. In such cases a progressive research programme can hardly be determined. The case ends in a decision in a relatively short period of time.

Judicial evidence

The judicial process can be seen as a a kind of black box, within which information from all kinds of sources is processed according to defined rules of evidence in order to produce a new form of truth: the ‘judicial truth’. This type of truth becomes, to a certain extent, simply one more competing version of truth. Like other versions, it can be accepted, refuted, celebrated or simply ignored. This is illustrated in two cases where genealogical evidence was essential for establishing judicial truth. In the first case, the evidence is in particular based on witness statements, with some degree of technical evidence. In the second case, conclusive evidence is given by a DNA-test.

The Tichborne case

The Tichborne case was a well-known legal dispute in Victorian England in the 1860s and 1870s. It concerned the claims by a man called Arthur Orton, later Thomas Castro, to be the missing heir to the Tichborne baronetcy. Orton failed to convince the courts, was convicted of perjury and served a long prison sentence.

Roger Charles Tichborne was born in Paris on 5 January 1829. He was raised mainly in France, although the Tichborne lands and fortune were based in Hampshire, England, where his uncle was the 8th baronet. As a result of his upbringing, Roger spoke English with a strong French accent.  At the age of 20, Roger joined the 6th Dragoon Guards in Dublin, but sold his commission three years later in 1852. In 1853, Roger’s father inherited the Tichborne baronetcy after the deaths of his two elder brothers. In the same year, Roger, now the heir to the Tichborne title and fortune, travelled to South America. In 1854, he boarded a ship, the Bella, bound for New York, but less than a week later, the Bella was lost at sea and Roger was declared dead in 1855. The Tichborne baronetcy was passed to Roger’s younger brother Alfred in 1862 when his father died. Alfred died only four years later, just months before the birth of his son, who inherited the title at birth in 1866.

Roger’s mother, Lady Henriette Tichborne, was devastated by the news of her son’s disappearance at sea. She remained hopeful that he had survived the shipwreck and sent out inquiries across the world as to his whereabouts. In November 1865, Australian solicitor William Gibbes sent Lady Tichborne a letter, informing her that a man, claiming to be her son, had contacted him. This man was a butcher from Wagga Wagga, calling himself Tom Castro. Although he was physically larger than Sir Roger, had lighter hair and spoke no French, these discrepancies did not bother Lady Tichborne, who had not seen her lost son for more than ten years.

After Lady Tichborne’s death in 1868, Orton was compelled to continue the pretence, as he needed the Tichborne inheritance to pay off his large debts. This led some of the Tichborne family to take him to court over his claim, beginning one of the most celebrated legal cases of the nineteenth century.

The first trial lasted almost a year, from 11 May 1871 to 5 March 1872. Tichborne v. Lushington was a civil trial to establish Orton’s claim to the Tichborne inheritance. Nearly one hundred people spoke in Orton’s defence, but the holes in his story soon became obvious, particularly his inability to speak French – Sir Roger’s childhood language.

Arthur Orton’s perjury trial, Regina v. Castro, began in 1873 and lasted over six months. This time a jury had to be convinced that Orton’s claim to be the lost Sir Roger Tichborne was false. Again, the evidence against Orton was damning, and in February 1874, he was convicted of two counts of perjury and sentenced to 14 years’ hard labour by Lord Chief Justice Sir Alexander Cockburn (source: State Library New South Wales).

An important issue was the degree of facial resemblance of Orton to the Tichborne family, which fact never has been fully explained. It may suggest that there was some kind of biological relation between Orton and the Tichborne family. In the University College London Galton Papers a document can be found, stating:

2225. [stamped in left margin]University College London Galton Papers 158/2M[end stamp] [underscore]MEMORANDUM We have had submitted to us, for Examination,[end underscore] enlarged authentic [italics]Photographs;[end italics] First, of Mr. Roger Tichborne, (date, 1854): Secondly, of the person claiming to be Sir Roger Tichborne, (date, 1874). [underscore]These Portraits have Geometrically Bisected[end underscore]: and the several divided sections we have ourselves affixed, interchanged, and transferred from one Portrait to another. [underscore]We are of Opinion that the Perfect Combination[end underscore] and Minute Correspondence of the several sections are [italics]bona fide[end italics] and unimpeachable, and fully justify the conclusion that [italics]one and the same person sat for each portrait.[end italics] Fredk. Snary, Photographer, [established, 1856] 26, Castle Street, Bristol. Louis Lowenthall, Photographer, [established, 1858] 14, N. Wine Street, Bristol. John Hayward, Print-Seller, [established, 1840] 1, Corn Street, Bristol. Frederick Bowden, Print-Seller, [established, 1850] 27, U. Arcade, Bristol. H. Gardiner, Ornamental Carver, [30 years] 28, Victoria Place, Clifton. T. Sherwood, Smith, Practical Surveyor and Land Agent [40 years] 30, Corn St. Bristol. [end]

The case however was finally solved by applying classic legal rules of evidence. There was no room for developing a research programme.

The Pringle of Stichill case

The law is a living construct. It develops with society, bringing new challenges and new opportunities into the courtroom. Currently, the law is changing rapidly as a result of the ongoing evolution of digital technology. In one specific field, that of evidence gathering for genealogical purposes, the Pringle of Stichill-case should be seen as a milestone case.

On 5 January 1683 Charles II granted the Baronetcy of Stichill (“the Baronetcy”) to Robert Pringle of Stichill “and the male heirs of his body”. The eighth baronet was Sir Norman Robert Pringle, who lived from 1871 to 1919. He married Florence Vaughan, who gave birth to Norman Hamilton Pringle (“Norman Hamilton”) and subsequently to two more sons, the first of which was Ronald Steuart Pringle (“Ronald Steuart”), who died in 1968. Norman Hamilton was enrolled without opposition as the ninth baronet. When he died in 1961 his son Sir Steuart Robert Pringle (“Sir Steuart”) was enrolled without opposition as the tenth baronet. Sir Steuart died in April 2013.

The two claimants in this matter are Sir Steuart’s son, Simon Robert Pringle (“Simon”), and Norman Murray Pringle (“Murray”), son of Ronald Steuart. Following Sir Steuart’s death, both Simon and Murray registered claims to succeed to the Baronetcy. Simon’s claim is made on the basis that, as Sir Steuart’s male heir, he is entitled to be enrolled as the 11th baronet. Murray, however, claims that Norman Hamilton was not the legitimate son of the eighth baronet and that accordingly the true ninth baronet was his late father, Ronald Steuart. Murray thus claims to be the true tenth baronet.

Murray’s claim relies upon DNA evidence obtained as part of “the Pringle Surname Project”. This was founded by Murray to determine the chieftainship of the clan Pringle, and the late Sir Steuart provided his DNA for the project. Expert opinion on the totality of the DNA evidence was that it provided “very strong support” for the view that the eighth baronet is grandfather to Murray but not Sir Steuart. Simon does not dispute the DNA evidence, but he raises four arguments as to why it should not be admitted on public policy grounds. By this reference the Board is required to advise Her Majesty as to (i) who is entitled to be entered on the Official Roll of the Baronetage as the Baronet of Pringle of Stichill and (ii) whether the DNA evidence should be admitted in order to determine the first question.

The Board finds that there is no legal ground for excluding the DNA evidence, which demonstrates to a high degree of probability that Norman Hamilton was not the son of the eighth baronet. The Board therefore concludes that (i) Simon is not the great grandson of the eighth baronet and is not the heir male of the first baronet; and (ii) Murray is the grandson of the eighth baronet and is, as the heir male of the first baronet, entitled to succeed to the Baronetcy (source: The Judicial Committee of the Privy Council, Privy Council Reference No 0079 of 2015).

Conclusions

The term ‘evidence’ is widely used in many different ways and in many different contexts. Genealogical evidence is often used for claims regarding the use of titles of nobility. Even when based on so-called ‘direct’ evidence, it is not certain whether these claims are true or not true, as the Pringle case shows. The concept of truth is the core of many philosophical discussions and it is my advice to be careful when claims of nobility or genealogy are either accepted, refuted, celebrated or simply ignored. In numerous cases regarding such claims, truth is no more and no less than a personal choice, often based on the assumption that written statements in official registers correspond with biological facts (see e.g. C.W. Delforterie, Liegen tegen de dominee: drie voorbeelden van het laten dopen van buitenechtelijke kinderen als zijnde tijdens een huwelijk verkregen / door C.W. Delforterie In: Liber Amicorum Jhr. Mr. C.C. van Valkenburg / [met een ten geleide van A. Snethlage en bijdr. van W.J. Kolff … et al.]. – ‘s-Gravenhage: Centraal Bureau voor Genealogie, 1985. – P. 69-80: geneal. tab. Met lit. opg.). One thing is certain. Written statements cannot change biological/genealogical facts but such facts can change written statements.