De huidige juridische status van Nederlandse heerlijkheidsrechten

Gerard Martinus (Gerry) del Court van Krimpen, heer van Krimpen (1889 – 1944). Del Court behoorde tot een Amsterdams regentengeslacht.

In het werk van C.E.G. ten Houte de Lange, ‘Heerlijkheden in Nederland‘ wordt een heerlijkheid beschreven als: “een conglomeraat van rechten en plichten die betrekking hebben op het bestuur van een bepaald territorium en die in particuliere handen zijn” . Door de hoogleraar A.S. de Blecourt wordt een heerlijkheid in subjectieve zin gedefinieerd als het recht om regeermacht uit te oefenen (aanvankelijk van overheidswege, later door particulieren) met daaraan verknochte heerlijke rechten, krachtens een absoluut vermogensrecht. Heerlijkheid in objectieve zin is het grondgebied, waarbinnen heerlijke rechten kunnen worden uitgeoefend. Het is interessant om na te gaan in hoeverre heerlijke rechten momenteel nog juridische waarde hebben.

Rechtshistorische aspecten

In de nieuwe rechtsorde van 1795, die in Nederland de Bataafse Republiek invoerde, was het instituut van de ambachtsheerlijkheden moeilijk te verenigen met Liberté, égalité, fraternité. In dat licht  beoogde de Staatsregeling van 1798 definitief een einde te maken aan heerlijke rechten. De eigenlijke heerlijkheden in institutionele zin werden direct afgeschaft en de gevolgen werden voor voor onwettig verklaard. Bepaalde rechten werden met name genoemd, maar voor de zekerheid werd alles nog maar een keer samengevat in een soort technisch-juridische formule, die voor waterdicht werd gehouden: “mitsgaders alle andere regten en verplichtingen, hoe ook genoemd, uit het leenstelsel of leenrecht afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch, vrijwillig en wettig verdrag”. Iedereen mocht nog wel op zijn eigen grond jagen. De honoraire (“honorabele”) rechten werden afgeschaft zonder enige schadevergoeding. Voor de geldelijke (“profitabele”) rechten moest binnen zes maanden na datum opgave worden gedaan.

In de nieuwe Staatsregelingen van 1801 en 1805 is de grondgedachte uit 1798 geheel overgenomen. Volgens de regeling van 1801 werd het leenrecht volledig afgeschaft. Alle leenroerige goederen werden als allodiaal (= vrije, oorspronkelijke, erfelijke eigendom van de bezitter) bestempeld. De wet zou aan de leenheren (feodaal) een schadeloosstelling toekennen. Dit laatste is in de Staatsregeling van 1805 nogmaals toegezegd, maar met de uitvoering is nooit een begin gemaakt. Deze bepalingen leidden er wel toe, dat de Hoge Raad in 1882 besliste, dat de rechten van de ambachtsheren in 1798 niet vervallen waren, maar dat zij mede door de regelingen van 1801 en 1805, van feodaal tot allodiaal geworden waren. In 1803 bracht de Raad van Binnenlands Bestuur het advies uit, dat een schadevergoeding voor het gemis der “eigenlijk gezegde” rechten (voortkomend uit de jurisdictie) billijk was te achten. Van de andere rechten oordeelde de Raad er een groot deel in strijd met de burgerlijke vrijheid waren. Deze rechten zouden afkoopbaar gesteld moeten worden.

Tot een genuanceerder advies kwamen in 1803 de landsadvocaten in hun rapport aan het Departementaal Bestuur van Holland. Volgens hen bestond er een recht op schadevergoeding, dat trouwens in de wet was vastgelegd. De financiën van de staat lieten dit echter niet toe.

Op 9 juni 1806 herstelde de regering de ambachtsheren in een deel van hun oude rechten. Voordat aan de nieuwe wet uitvoering was gegeven, werd Lodewijk Napoleon gekroond tot koning van Holland. De nieuwe koning wilde de afschaffing van alle heerlijke rechten tegen een schadevergoeding. Dit ging recht tegen het ontwerp van wet in. De koning droeg de Staatsraad op een nieuw voorstel te formuleren. In 1809 is een ontwerp aangeboden, dat in de grote lijn neerkwam op de afschaffing van de jurisdictie en de bevoegdheden, maar de profitabele rechten voor een groot deel wilde handhaven. Aan dit ontwerp onthield Lodewijk Napoleon zijn goedkeuring. Toen in 1810 Holland bij het Keizerrijk werd ingelijfd, besliste de Raad van Ministers het ontwerp tot regeling van de heerlijke rechten aan te houden. De wetten van het Keizerrijk, die sindsdien voor het land van toepassing waren, raakten de vroegere heerlijke rechten nergens direct. Alleen voor het recht van aanwas is een Keizerlijk decreet van betekenis geweest. In 1813, toen het Koninkrijk der Nederlanden ontstond, was in feite nog niets veranderd sinds de onduidelijke Staatsregeling van 1798 (een omvangrijke en ingewikkelde materie) wel was omgeploegd, maar niet geregeld.

Actuele status van heerlijke rechten

Apollonius Jan Cornelis Lampsins (1754 – 1834), Baron van Tobago (Lodewijk XIV, 1662), heer van Swieten. Lampsins behoorde tot de Zeeuwse redersfamilie.

Van oudsher zijn aan genoemde goederen verbonden zogenoemde eigenlijke heerlijke rechten en heerlijkheidsgevolgen (accrochementen), ook wel oneigenlijke heerlijke rechten genaamd. De eigenlijke heerlijke rechten waren oudtijds de in de handel zijnde rechten op overheidsgezag. Begunstigd door de omstandigheid dat in het oud-vaderlandse recht ten tijde van de Republiek geen scherp onderscheid werd gemaakt tussen privaat- en publiekrecht, hebben deze rechten zich tot de Bataafse omwenteling onverkort weten te handhaven. Met artikel 24 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels van de Staatsregeling van 1798 werden zij afgeschaft,¹ maar zestien jaar later bij Souverein Besluit van 26 maart 1814 (Stb. 1814, 46) in getemperde vorm hersteld, namelijk als recht van voordracht voor de vervulling van belangrijke gemeentebedieningen en als recht tot aanstelling in kleinere gemeentebedieningen. Deze rechten werden bij de grondwetsherziening van 1848 afgeschaft ingevolge het eerste lid van het toenmaals ingevoegde additionele artikel. Bij de grondwetsherziening van 1922 werd de werking van deze bepaling uitgebreid tot het kerkelijk collatierecht (het recht iemand in een kerkelijke betrekking voor te dragen of te benoemen). De afschaffing van de in het eerste lid van additioneel artikel I vermelde rechten heeft dus in 1848 respectievelijk 1922 definitief zijn beslag gekregen.

De overige, de zogenaamde oneigenlijke heerlijke rechten, zijn de rechten die de heer kon uitoefenen naast zijn recht op overheidsgezag. Evenals de eigenlijke heerlijke rechten waren dit oudtijds zaken in de handel. De Staatsregeling van 1798 bevatte een drietal bepalingen welke de hier bedoelde rechten limiteerden, namelijk de artikelen 25, 27 en 53 van de Grondregels.²

Als gevolg van de verwarrende redactie van artikel 25 bleef voor tal van rechten grote onzekerheid bestaan. Voor wat betreft een aantal heerlijkheidsgevolgen, bijvoorbeeld het veerrecht, het recht op aanwassen en rechten betreffende dijken en wegen, kan wel als vaststaand worden aangenomen dat zij zijn blijven bestaan. Het eerdergenoemd Souverein Besluit van 26 maart 1814 herstelde onder andere de jacht- en visrechten.

Bij de grondwetsherziening van 1848 werd het niet noodzakelijk geoordeeld de oneigenlijke heerlijke rechten te schrappen, zoals dit met de nog resterende eigenlijke heerlijke rechten geschiedde. De wetgever zou zulks desgewenst later wel kunnen doen. In het tweede lid van het additionele artikel werd dit tot uitdrukking gebracht. Het artikellid maakt tevens gewag van schadeloosstelling van de eigenaren.

Sindsdien heeft de wetgever enige regelingen getroffen (de Verenwet (Wet van 5 juli 1921, Stb. 1921, 838), de eigenlijke heerlijke rechten 1923 (Wet van 2 juli 1923, Stb. 1923, 331) en verschillende opeenvolgende visserijwetten (laatstelijk de Wet van 30 mei 1963, Stb. 1963, 312)). Geheel verdwenen zijn de oneigenlijke heerlijke rechten echter nog niet, al worden zij niet geheel door oud-vaderlands recht beheerst (vgl. HR 20 februari 1931, NJ 1931, blz. 1563, handelend over een heerlijk visrecht). Nog bestaande oneigenlijke heerlijke rechten kunnen in de praktijk worden opgevat als gewone zakelijke rechten (Kamerstukken II 1976-1977, 14 457 (eerste lezing)).

De aard van genoemde rechten staat eraan in de weg dat het kan tenietgaan doordat er het gedurende lange tijd geen gebruik van wordt gemaakt; “non-usus”. De omstandigheid dat het bestaan van de rechten niet kan afleiden uit de openbare registers, brengt niet mee dat aangenomen moet worden dat de rechten niet (meer) bestaan (zie onder meer Gerechtshof Amsterdam 23 maart 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9231 en Gerechtshof Amsterdam 2 oktober 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1161).

Door de advocaat J. van Wassenaer wordt in “Van Adel”, Nieuwsbrief van de Nederlandse Adelsvereniging, zomer 2017 (p. 44) de vraag gesteld of heerlijke rechten zijn afgeschaft.

Met name na de Tweede Wereldoorlog werd, net als onze “gewone” adellijke titels, het voeren van de titel “Heer van ..” veelal maar beter achterwege gelaten. Ook hier lijkt echter te gelden, dat er zich sinds eind jaren negentig een kentering in de belangstelling voordoet. Zelfbewustzijn en historisch besef zullen hieraan zeker (mede) debet zijn. Leek voorheen het vaste credo: “de Heerlijke rechten zijn afgeschaft!”, sindsdien is het meer een vráág: “zijn die Heerlijke rechten nu eigenlijk afgeschaft?”

Van Wassener meent op basis van een overgangsartikel in het BW het antwoord te hebben gevonden, wat talloze deskundigen kennelijk over het hoofd hebben gezien.

Welnu: ze zijn afgeschaft maar korte tijd later ook weer herboren (…).

Artikel 150, eerste lid, van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (van 3 april 1969) verklaart de van vóór 1838 bestaande oude zakelijke rechten tot register- goederen, hetgeen betekent, dat hun bestaan wordt erkend en dat levering (derhalve niet de verkrijging onder al- gemene titel) slechts kan geschieden door een notariële akte, gevolgd door de inschrijving in de openbare registers (kadaster).

Zoals hierboven uiteengezet, is dit onjuist. Het betreft hier alleen de restanten van heerlijke rechten in de vorm van zakelijke rechten. Het kenmerk van de heerlijke rechten, namelijk het overheidsgezag, is niet meer aan de orde. Het zijn dus geen heerlijke rechten meer, maar zakelijke rechten, die hun oorsprong in heerlijke rechten hebben gehad.

Naamsgebruik

Mr. A.J.F. Fokker, heer van Crayestein en Rengerskerke (1857-1929), lid Eerste Kamer.

In Nederland was het gebruikelijk dat de eigenaar van een heerlijkheid de naam daarvan achter zijn geslachtsnaam voegde om aan te geven dat hij de heer was van de betreffende heerlijkheid. Deze toevoeging maakte geen deel uit van zijn wettelijke geslachtsnaam en is te beschouwen als een eigendomsaanduiding. De circulaire die de minister van justitie in 1858 rond liet gaan, dat in officiële stukken een naam van een heerlijkheid nooit als deel van een geslachtsnaam mocht worden opgenomen, werd in de praktijk vaak genegeerd. Aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand werd vaak de naam van de heerlijkheid ten onrechte als deel van de geslachtsnaam opgegeven en vervolgens door de ambtenaar ingeschreven. Aan deze onjuiste opgave kon de betrokkene geen rechten ontlenen. In de praktijk was de kans groot dat in latere akten de onjuiste naam werd overgenomen, net zolang tot een ambtenaar een onderzoek deed naar de naam. Er zijn dus voorbeelden te noemen van geslachtsnamen waaraan de naam van de heerlijkheid is toegevoegd zonder dat er sprake is geweest van een Koninklijk Besluit.

Het stond mensen wel vrij om zich, zolang het geen officiële stukken betrof, te schrijven en ook te noemen met de naam van de heerlijkheid achter de geslachtsnaam.

Bij de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 was het gebruikelijk dat de eigenaar van de heerlijkheid de naam van zijn heerlijkheid achter zijn geslachtsnaam voegde met daartussen het woord van. Kinderen van de heer lieten tussen hun geslachtsnaam en de naam van de heerlijkheid het woord tot zetten.

Tegenwoordig geldt de ongeschreven regel dat iemand die een heerlijkheid alleen bezit, de aanduiding van heer of vrouwe van gevolgd door de naam van de heerlijkheid voert. Als er sprake is van een gemeenschappelijk bezit, noemen de eigenaren zich heer of vrouwe in gevolgd door de naam van de heerlijkheid. Volgens het huidige naamrecht maakt de naam van de heerlijkheid geen deel meer uit van de geslachtsnaam. De aanduiding ‘heer/vrouwe van’ of ‘heer/vrouwe in’ wordt tegenwoordig met een komma gescheiden van de geslachtsnaam. De eigenaar van een huis/landerij hoeft dus niet dezelfde persoon te zijn die de heerlijkheid bezit. Omdat huizen en heerlijkheden vaak dezelfde naam hebben, en omdat de eigenaren zich er vaak naar vernoemden, kan het zijn dat de twee verschillende eigenaren dezelfde naam voeren.

Bewijs leveren van het bestaan van voormalige heerlijke rechten

Aardig (maar ook niet geheel onjuist) is Van Wassenaer’s poging om juridische advies te geven met betrekking tot het bezitten van voormalige heerlijke rechten. Van Wassenaer noemt (kort gezegd) onder meer:

  1. vergaar het bewijs dat u de rechtmatige opvolger bent van de “Heerlijke rechten”;
  2. vergaar bewijs van de locatie van de “Heerlijke rechten”;
  3. vergaar het bewijs wat deze rechten inhouden of in hebben gehouden.

Van Wassenaer bedoelt met “Heerlijke rechten”, naar mijn mening de voormalige heerlijke rechten of de resterende zakelijke rechten.

Bijzonder interessant is Van Wassenaer’s advies met betrekking tot het gebruik van voormalige heerlijkheidsnamen in combinatie met de geslachtsnaam (p. 45):

Dr. Maurits Willem Raedinck van Vollenhoven (1882 – 1976), heer van Kleverskerke, diplomaat en grootprior Orde van Sint Lazarus.

Voer, in de meer offciële stukken, (overlijdensbericht, testament, etc.) de naam (dus X van Amsterdam van Den Haag) en titel (Heer van Amsterdam en Den Haag) en neem een passage in uw testament op, waarin u deze zaken (de rechten, de naam en de titel) uitdrukkelijk benoemt en “doorgeeft”, al dan niet per legaat. Bij het testament zou u kunnen opnemen dat het uw wens is dat, de traditie getrouw, dit alles ook vervolgens telkens aan (bijvoorbeeld en afhankelijk van de bij uw familie levende traditie uiteraard) de oudste zoon en zo verder zal worden overgedragen aan de nazaten binnen de familie.

Ik kan het hier alleen maar mee eens zijn, wel met de aantekening dat hiermee geen zakelijk recht wordt beschermd maar – in juridische zin – eerder een naamsonderdeel. Ik moet erkennen dat ik hier nog niet precies de vinger op kan leggen. Een ander prima advies van Van Wassenaer heeft betrekking op registratie in het kadaster (p. 45):

Hoewel ik in het vorenstaande aangaf dat bij vererving geen inschrijving in het kadaster nodig is (slechts bij verkoop aan derden is dat nu voorwaarde), zou het de rechtszekerheid voor u, uw nakomelingen en derden zeer helpen, indien u deze rechtspositie via een notariële akte daarin zou (doen) registreren. Dan is het maar duidelijk. Bij latere verervingen verdient het dan aanbeveling om het kadaster up to date te houden.

Of dit mogelijk is met een “titel” heer van (….) is naar mijn mening nog maar de vraag omdat niet duidelijk is of sprake is van een recht. Zakelijke rechten kunnen wel in het kadaster worden opgenomen door middel van een notariele akte. Naar mijn mening moet de titel “heer van (…)” eerder worden in historische zin worden bezien. Als de titel onterecht wordt gebruikt, kan onder omstandigheden sprake zijn van een onrechtmatige daad in die zin dat ten onrechte wordt gesuggereerd dat er een eigendom of bezit is van een onroerende zaak.

Relatie met de familie

Een voorbeeld van een heerlijkheidsrecht is het collatierecht (in het Latijn “præsentatio sive collatio” en in het katholiek kerkelijk recht “jus patronatus”). Deze term houdt in het recht om een geestelijke, een pastoor of een dominee, voor te dragen ter benoeming. Het recht was erfelijk en werd in Nederland in 1922 afgeschaft met de bepaling dat de eigenaar het recht tot zijn of haar dood mocht blijven uitoefennen. In een aantal gevallen was het collatierecht verbonden aan een havezate, zoals bij Oosterbroek (zie: Collatierecht – Encyclopedie Drenthe Online), waarvan A.H. van Bergen eigenaar was.

In de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 21 september 1990, nr. R02.88.1390 (p. 4), is bepaald dat een lid van de huidige generatie “in rechte mannelijke lijn afstamt van Anton Quast, die naar de Afdeling is gebleken, rechthebbende was ten aanzien van de heerlijkheid Odenkirchen“. Odenkirchen is gelegen in de omgeving van Mönchengladbach.

Opmerking

Dit artikel is voor een belangrijk deel ontleend aan de boeken van de heren Delahaye en Ketelaar.

Literatuur

C.E.G. ten Houte de Lange en V.A.M. van der Burg, Heerlijkheden in Nederland, Hilversum, Verloren, 2008.

F.C.J. Ketelaar, Oude zakelijke rechten, vroeger, nu en in de toekomst (Les survivances du ‘système féodal’ dans le droit néerlandais au XIXe et au XXe sciècle) (Leiden/Zwolle 1978).

J.Ph. de Monté ver Loren, ‘Bestaan er nog heerlijkheden en hoe te handelen met aan heerlijkheden ontleende namen?’, De Nederlandsche Leeuw 1961, kol. 394-400.

A. Delahaye, Vossemeer, land van 1000 heren, NV Ambachtsheerlijkheid Oud en Nieuw Vossemeer 1969.

A.S. de Blecourt, Kort begrip van het Oud-Vaderlandsch Burgerlijk Recht I, Groningen-Batavia, 1939, p. 328.

Memorie ter wederlegging der gronden en redeneringen, vervat bij nadere missive van den Raad der Binnenlandsche Zaaken der Bataafsche Republiek op den 11 April 1804 wegens de zaak der heerlijkheden aan het Staatsbewind geschreven van wegens een groot aantal geinteresseerdens bij Stichtse heerlijkheden aan het Wetgevend Lichaam der Bataafsche Republiek overgegeven : met eenige daartoe behorende bijlagen. – Utrecht : Wild en Altheer, 1805. – [2], 207 p. ; 23 cm – Note: Ex. RGS-GS gebonden bij: Korte verhandeling over de ambachtsheerlijkheeden en derzelver lot, zeedert den jaare 1795.

Noten

1. Artikel 24 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels luidt: “Alle eigenlijk gezegde Heerlijke Regten en Tituls, waardoor aan een bijzonder Persoon of Lichaam zou worden toegekend eenig gezag omtrent het Bestuur van Zaken in eenige Stad, Dorp of Plaats, of de aanstelling van deze of gene Ambtenaaren binnen dezelve, worden, voor zoo verre die niet reeds met de daad zijn afgeschaft, bij de aanneming der Staatsregeling, zonder eenige Schaêvergoeding, voor altijd vernietigd.”

2. Deze artikelen luiden als volgt:
Artikel 25.
-1. Alle Tiend-, Cijns-, of Thijns-, Na-koops-, Afstervings-, en Naastings-Regten, van welken aard, midsgaders alle andere Regten of Verpligtingen, hoe ook genoemd, uit het leenstelsel of Leenrecht afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch vrijwillig en wettig verdrag, worden, met alle de gevolgen van dien, als strijdig met der Burgeren gelijkheid en vrijheid, voor altijd vervallen verklaard.
– 2. Het Vertegenwoordigend Lichaam zal, binnen agttien Maanden, na Deszelfs eerste zitting, bepaalen den voet en de wijze van afkoop van alle zoodanige regten en renten, welke als vruchten van wezenlijken eigendom kunnen beschouwd worden. Geene aanspraak op pecunieele vergoeding, uit de vernieting van gemelde Regten voordvloeijende, zal gelden, dan welke, binnen zes Maanden na de aanneming der Staatsregeling, zal zijn ingeleverd.

Artikel 27.
Alle burgers hebben, ten alle tijde, het regt, om, met uitsluiting van anderen, op hunnen eigen of gebruikten, grond te Jagen, te Vogelen en te Visschen. Het Vertegenwoordigend Lichaam maakt, binnen zes Maanden na Deszelfs eerste zitting, bij Reglement, de nodige bepaaling, om, ten dezen opzigte, de openbaare veiligheid en eigendommen der lngezetenen te verzekeren, en zorgt, dat noch de Visscherijen bedorven, noch de Landgebruiker bij eenige Wet of Beding, belet worde, allen Wild op zijnen gebruikten grond te vangen, noch ook, dat een ander daarop zal mogen Jagen of Visschen zonder zijne bewilliging.

Artikel 53.
Bij de aanneming der Staatsregeling, worden vervallen verklaard alle Gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neeringen, Ambagten, of Fabrieken. Ook heeft ieder Burger, in welke Plaats woonachtig, het regt zoodanige Fabriek of Trafiek opterigten, of zoodanig eerlijk bedrijf aantevangen, als hij verkiezen zal. Het Vertegenwoordigend Lichaam zorgt, dat de goede orde, het gemak en gerief der Ingezetenen, ten dezen opzigte, worden verzekerd.

Advertenties

Advice on buying manorial lordships

Introduction

A very interesting document is available on the internet, called “Manorial Lordships and Statutory Declaration. A Cautionary Description“. On the first page it reads:

The principal interest lies in the paradox he explains – that the much used Statutory Declaration proves not that a vendor owns a manorial lordship, but rather that he probably does not.

Numerous manorial lords rely on a statutory declaration for proving that their manorial title is genuine. Does this mean that most of them actually cannot prove the ownership of the manorial title?

Development

In the feudal system all legal and economic power belonged to the lord of the manor or king, who was supported economically from his land and from labour, goods, or coin from tenants under his authority.

In 1446 King Henry VI obtained parliamentary ratification of the many grants of land he had made to King's College of the Blessed Virgin Mary at Eton by a Consolidation Charter. The illumination of its opening letters, shown above, is a beautiful example of English 15th century art. In it the King kneels to offer his charter on the altar with the Cardinals, Bishops, Lords and Commons behind him.

In 1446 King Henry VI obtained parliamentary ratification of the many grants of land he had made to King’s College of the Blessed Virgin Mary at Eton by a Consolidation Charter. The illumination of its opening letters, shown above, is a beautiful example of English 15th century art. In it the King kneels to offer his charter on the altar with the Cardinals, Bishops, Lords and Commons behind him.

Feudal land tenure is the system by which land was held by tenants from their lords. Tenures were divided into free and unfree. Of the free tenures, the first was tenure in chivalry. The second form of free tenure was the spiritual tenure of bishops or monasteries. Their sole obligation was to pray for the souls of the granter and his heirs. In contrast to the free tenants, who’s services were always predetermined, the unfree tenure they were not. The unfree tenant never knew what he might be called to do for his lord. This uncertainty was later limited in a way that the tenant could not be ejected in breach of existing customs of the manor. The land was thus held according to the custom of the manor (written evidence from Dr Paul Stafford, Submission to the Justice Select Committee Inquiry into Manorial Rights). Court Rolls of the manor came to record the title of the tenants of the manor to their properties and the tenants were given a copy of the entry recording their title. A tenant who held land in this way was known as a copyholder (House of Commons Justice Committee, 2015).

The fundamental characteristic of the manorial system was economic. The peasants held land from the lord (French: seigneur) of an estate in return for fixed dues in kind, money, and services. An interesting question is that of the origin of the manorial organization; Roman or German origin. This question cannot be answered decisively because there is not sufficient evidence. Romanists state that during the decline of the Roman Empire, independent estates emerged. Germanists point to the likenesses of the manor to what can be seen as the ancient German system of landholding. It is now generally accepted that both German and Roman influences contributed to the development of the manorial system.

Manors were also judicial and administrative units with their own manorial courts, where lords were responsible for jurisprudence. Historically, landowners with significant holdings often retained ownership of any mines or minerals on the land even when it was sold on. In such cases they would own the land beneath the surface (known as ‘mines and minerals’) while another owner exercised the rights of the surface land. Landowners may also have specific rights relating to the surface of the land, for example, the rights to hunt, shoot or fish (written evidence from Christopher Jessel, author of “The Law of the Manor”, Submission to the Justice Select Committee Inquiry into Manorial Rights).

The manorial system was slowly replaced by money-based economies and other agricultural agreements. During the Tudor period many of the civil functions of the manor were removed. It led to a decline of the manorial system. Feudal tenures were formally abolished in 1660. In England, this led to the establishment of absolute property rights for big landowners, and to vociferous demands by Levellers (a political movement during the English Civil War; 1642–1651) and other radicals that copyholders — the majority of the peasantry — should receive equal security for their tenure. 

 

During the nineteenth century the holding of manor courts gradually came to an end, and in 1925 copyhold tenure formally ended in accordance with the Law of Property Acts, 1922 and 1924. Since then the holder was personally free and paid rent in lieu of services. The Manorial Documents Register was established in 1926 to record the location of documents and ensure that they could be traced if they were required for legal purposes. Some manorial courts continued to meet in the 20th century and technically courts can still meet, although they would have no real business to transact. Before the Land Registration Act 2002 it was possible for manors to be registered with HM Land Registry. Manorial incidents (the rights that a lord of the manor may exercise over other people’s land) lapsed on 12 October 2013 if they were not registered by then with HM Land Registry. Distinctive feudal remnants remain in the Isle of Man and in the Channel Islands (three distinct systems for Jersey, Guernsey and Alderney). The island of Sark was a remaining example of a feudal fief. Sark gave up being a feudal fife several years ago under EU pressure. Male primogeniture never applied to manorial or seignuer titles, as Sark has had a female Seignuer in its past. (see: Christine Alice Corcos, From Agnatic Succession to Absolute Primogeniture: The Shift to Equal Rights of Succession to Thrones and Titles in the Modern European Constitutional Monarchy, 2012 Mich. St. L. Rev. 1587, 2014).

Characteristics of Manorial Rights

Manorial rights are part of English property law (the law of acquisition, sharing and protection of valuable assets in England and Wales). As such they can be bought and sold as objects. Manorial Lordships can thus be transferred, conveyed or sold to other people. The lordship of the manor is simply the title by which the lord of the manor is known. In many cases the title may no longer have any land or rights attached to it. Because of its origin and lack of physical substance, it is known as an ‘incorporeal hereditament’. Incorporeal hereditament means ‘an interest having no physical existence’ (see: Walker vs Burton 2012, sub 47; UK Government, Practice guide 22, manors).

The brother of the late Princess Diana , Charles, Ninth Earl Spencer offered one of his many titles - that of Lord of Wimbledon - for sale at a public auction on June 26, 1996 as advertised in Financial Times on May 27, 1996:

The brother of the late Princess Diana , Charles, Ninth Earl Spencer offered one of his many titles – that of Lord of Wimbledon – for sale at a public auction on June 26, 1996 as advertised in Financial Times on May 27, 1996:

The Land Registry describes manorial rights as rights which were retained by lords of the manor when land became freehold. They can include rights to mines and some minerals, sporting rights such as hunting, shooting and fishing, and rights to hold fairs and markets. Manorial rights are “overriding rights” which may affect a property even if they had not previously been protected in the register maintained by the Land Registry.

Following the enactment of the 2002 Land Registration Act, which required manorial rights to be registered before 13 October 2013 if they were to be retained, more than 90,000 applications to enter a notice claiming manorial rights on properties in England and Wales had been made to the Land Registry prior to the deadline.

Lord of the Manor

Whoever owns the lordship of the manor is entitled to refer to themselves as lord of that manor, for example, Lord of the manor of Keswick (source: UK Government, Practice guide 22, manors). The right to use the term “Lord of the Manor of Keswick” should, in my opinion,  be seen as a legal custom right (to seek recognition that one is the owner of a specific manorial right) as it meets certain basic requirements in this respect (see e.g.: customary Law in Modern England, W. Jethro Brown, Columbia Law Review Vol. 5, No. 8 (Dec., 1905), pp. 571). The term can be seen as a synonym for ownership with a historical background. The term should not be seen as a titular dignity, but rather as a factual appellation, which – within the feudal social system – was used to describe the relationship between the Lord of the Manor in relation to his own tenants.

The vast majority of lordships belong to an individual or a trustee. A lordship might be held in a limited company, or a ‘corporation sole,’ such as the Lord Mayor and Corporation of the City of London, who are Lords of the King’s Manor, Southwark (source: Manorial Society of Great Britain, Advice on buying a manorial title).

Manorial lord and nobility

It is generally assumed that manorial titles are not titles of nobility. I tend to a more balanced view. In his book, The Constitutional History of England (Cambridge University Press, 1909 [1st Pub. 1908]), Professor F.W. Mailland notes:

Dark as is the early history of the manor, we can see that before the Conquest England is covered by what in all substantial points are manors, though the term manor is brought hither by the Normans. Furthermore, in the interests of peace and justice, the state insists that every landless man shall have a lord, who will produce him in court in case he be accused. Slowly the relation of man and lord extends itself, and everywhere it is connected with land. The king’s thanes then are coming to be the king’s military tenants in chief.

This description characterizes nobility. Shortly after the battle of Hastings in 1066, the invading Normans and their descendants replaced the Anglo-Saxons as the ruling class of England. William the Conqueror divided the land into manors which he gave to his Norman barons. The nobility of England were part of a single Norman culture and many had lands on both sides of the channel. Early Norman kings of England, as Dukes of Normandy, owed homage to the King of France for their land on the continent. The Norman barons were summoned by the king from time to time to a Royal Council where they would advise him. By the mid 13th century, these meetings would form the basis for the House of Lords (professor Marjorie Chibnall, The Normans).

Originally, only a noble could hold a manor (professor Marjorie Chibnall, The Normans).  Later, commoners could also own a manor. The current manorial lords may well be seen as a relic of the ancient Norman noble class.

Conclusions

It is essential to buy a manorial lordship from the legal owner. With Lordships, title is generally traced back 50 years or more (source: Manorial Society of Great Britain, Advice on buying a manorial title). Proof of ownership is sometimes found in family or estate documents like assents, probates, wills, mortgages and settlements. Statutory declarations (a written statement of fact that is signed in the presence of a solicitor) are another common way to prove legal ownership. In my opinion it is not correct to say that when a statutory declaration is used in combination with persuasive exhibits from secondary sources, the use of such a statutory declaration is rebutting evidence of the legal ownership of the manorial lordship. When ownership is disputed however, the presence of all deeds, correctly made up since 1189 is required. The absence of correct and complete sets of deeds requires Court approval to confirm ownership (Burton v Walker).

I therefore recommend to obtain a manorial title from a reputable company and consult a lawyer in advance.

Sources

  • Property Law Journal: 24 January 2011. Paul Stafford explains why those who hold a manorial title, or those who challenge it, must examine the foundations on which the particular title stands.
  • P. G. Vinogradoff, Villainage in England (1892, repr. 1968) and The Growth of the Manor (3d ed. 1920, repr. 1968)
  • N. S. B. Gras and E. C. Gras, The Economic and Social History of an English Village (1930, repr. 1969)
  • H. S. Bennett, Life on the English Manor (1937, repr. 1960)
  • M. Bloch, French Rural History (tr. 1966)
  • J. W. Thompson, Economic and Social History of the Middle Ages (2 vol., new ed. 1959) and Economic and Social History of Europe in the Later Middle Ages (new ed. 1960).
  • Britanica.com

Further reading

Links

Jurisprudence

  • A spectacular example of a dispute over manorial rights comes from the recent and widely reported case of Burton v Walker. There are four decisions in Burton v Walker: the preliminary issue and substantive hearings before Adjudicators to the Land Registry; an appeal to the Chancery Division and a second appeal to the Court of Appeal. The references are REF 2007/1124 (Mr Edward Cousins, 14 May 2009); REF 2007/1124 (Mr Simon Brilliant, 10 Dec 2010); [2012] EWHC 978 (Ch), [2012] All ER (D) 131 (Mr Jeremy Cousins QC); and EWCA [2013] Civ 1228 (Mummery LJ giving the only substantive judgement).
  • Baxendale v Instow Parish Council (1982) Ch 14
  • Crown Estate Commissioners v Roberts (2008) EWHC 1302. The defendant claimed ownership as Lord Marcher of St Davids of historical rights in foreshores in Pembrokeshire. The claimants sought removal of his cautions against first registration.
  • Delacherois v Delacherois (1864) 11 HLC 62
  • Corpus Christi College Oxford -v- Gloucestershire County Council CA ([1983] QB 360)
  • Doe d Clayton Bart. v Williams (1843) 11 M&W 803
  • Re Holliday (1922) 2 Ch 698
  • Merttens v Hill (1901) 1 Ch 842
  • Morris v Smith and Paget (1585) Cro. Eliz. 38
  • Rooke v Lord Kensington (1856) 2 K & J 753
  • Simpson v Attorney General (1904) AC 476