Wat is de juridische status van “het recht om zich heer/vrouwe van [naam heerlijkheid] te noemen”?

Onderzoeksvraag

Door de heer mr E.J. Wolleswinkel, voormalig secretaris van de Hoge Raad van Adel, wordt in Virtus, Jaarboek voor Adelsgeschiedenis 16, p. 210 (De boekstaving van distinctiegedrag) een vraag gesteld die mij al geruime tijd bezig houdt. Wolleswinkel uit zich terecht kritisch ten opzichte van de stelling dat er in Nederland een recht zou bestaan om zich “heer/vrouwe van/in” een bepaalde voormalige heerlijkheid te noemen. Zijn bedenkingen zijn correct: wat voor recht dit is, wordt in het door hem besproken werk niet duidelijk omdat deze hoedanigheden niet in de burgerlijke stand worden opgenomen. In deze bijdrage doe ik een poging om hierover duidelijkheid te geven.

Naamsgebruik

Anna Quevellerius, Vrouwe van Sint Pancras van 1740 tot 1756. Geschilderd door Jan Abel Wassenberg Sr. (omstreeks 1720). Collectie Groninger Museum, Foto John Stoel.

In de achttiende eeuw, toen heerlijkheden nog bestonden, was het gebruik om aan de naam de betiteling “heer/vrouwe van [naam heerlijkheid]” toe te voegen. Professor J.P. de Monte ver Loren schrijft hierover in De Nederlandsche Leeuw van november 1961 (kolom 398):

“Vanouds was het gebruik, dat de bezitter van een heerlijkheid de naam daarvan achter zijn geslachtsnaam voegde ter aanduiding van het feit, dat hij heer van de betreffende heerlijkheid was. Ook tegenwoordig wordt dit gebruik soms nog gevolgd.

Aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand werd bij de invoering en daarna vaak de naam van de heerlijkheid ten onrechte als deel van de geslachtsnaam opgegeven en vervolgens door de ambtenaar ingeschreven. Aan deze onjuiste opgave kon de betrokkene geen rechten ontlenen. De circulaire die de minister van justitie in 1858 rond liet gaan, dat in officiële stukken een naam van een heerlijkheid nooit als deel van een geslachtsnaam mocht worden opgenomen, werd in de praktijk vaak genegeerd, maar bewijst wel dat het hier om een gewoonte ging. In Nederland’s Adelsboek en Nederland’s Patriciaat zijn talloze voorbeeld te vinden die deze praktijk bewijzen met concrete voorbeelden. Ook een recent artikel van mr J. van Wassenaer bevestigt dit.

Een belangrijke bijdrage aan de inventarisatie van de combinatie geslachtsnaam/heerlijkheid is geleverd door de heer C.E.G. ten Houte de Lange in zijn werken: Het Dubbele Namen Boek en Heerlijkheden in Nederland : welke namen van heerlijkheden worden nog gevoerd sinds 1848?. 

Met andere woorden, er kan worden gesteld dat er een gewoonte bestond en bestaat binnen de groep van (voormalige) heerlijkheid bezitters om (1) de betiteling heer/vrouwe van/tot [naam (voormalige) heerlijkheid] te voeren en (2) aan de geslachtsnaam de naam van de heerlijkheid toe te voegen, voorafgaand door een “van” of “tot”.

Typering

In de uitspraak van de Hoge Raad van 20 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:395) is overwogen dat het karakter van oude zakelijke rechten kan wijzigen en dat hiervoor aansluiting kan worden gezocht bij hetgeen met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld met betrekking tot de daadwerkelijke uitoefening van het recht gedurende de meest recente periode (r.o. 3.5.2):

Oude zakelijke rechten als dat van de dertiende penning worden, bij gebreke van een wettelijke regeling, beheerst door het gewoonterecht. Weliswaar moeten deze rechten krachtens art. 1 van de Wet van 16 mei 1829, Stb. 29, worden geëerbiedigd, maar dit betekent niet dat de sedertdien ingevoerde algemene regels van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van die rechten niet van belang zijn. Voorts lenen die rechten zich voor verdere ontwikkeling op grond van zich wijzigende maatschappelijke omstandigheden. Ingeval onzekerheid bestaat omtrent wat gewoonte is, kan aansluiting worden gezocht bij hetgeen met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld met betrekking tot de daadwerkelijke uitoefening van het recht gedurende de meest recente periode (vgl. onder meer HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1414, NJ 1995/547 en HR 20 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2394, NJ 1999/302).

Gevolgen

Naar mijn mening is het gevolg van voorgaande jurisprudentie dat het voeren van de betiteling en de toevoeging van de naam, moet worden gezien als een gewoonterecht. Dit recht is in de loop van de tijd van karakter veranderd. Er zijn immers geen eigenlijke heerlijke rechten meer. Dat de betiteling waarde heeft, blijkt uit het feit dat er in het economisch verkeer waarde aan gehecht worden: er worden nog steeds voormalige heerlijkheidsrechten en -titels verhandeld. IJdelheid is hiervoor de voornaamste drijfveer, denk ik. Er is sprake van een recht omdat het gebruik van titel en naam een bepaalde relatie met het goed impliceert die een inbreuk kan maken op de rechten van de eigenaar van dat goed en zodoende leidt tot een onrechtmatige daad, als hiervoor geen juridische grondslag is. Tot een vergelijkbare conclusie kwam mr W. Lunsingh Tonckens al een eeuw geleden (De Nederlandsche Leeuw, jaargang 39, kolommen 285-286):

“Heerlijkheden bestaan hier te lande dus niet meer. Daar het onmogelijk is om eigenaar te zijn eender niet bestaande zaak, kan men heerlijkheden niet erven of koopen”

en:

“Hij, die ten onrechte den naam eener heerlijkheid als deel van een geslachtsnaam opgeeft of draagt, valt niet onder het bereik onzer strafwet en loopt alleen in het weinig waarschijnlijke geval, dat daardoor aan een ander nadeel wordt toegebracht, gevaar, dat eene burgerlijke rechtsvordering tegen hem wordt ingesteld (artikel 1401) van het Burgerlijk Wetboek).”

De conclusie is dus dat er sprake is van een immaterieel vermogensrecht dat ontstaan is door gewoonte. Het betreffende recht is een absoluut recht – dat kan worden geldend gemaakt tegenover in beginsel willekeurig welke derde – op het betreffende immateriële voorwerp (gebruik titel/benaming) en het geeft de rechthebbende een exclusief gebruiksrecht op dat immateriële voorwerp.

Vanaf het moment van het ontstaan van het recht wordt het in beginsel geabstraheerd van de persoon van de originaire rechthebbende en leidt het gewoonterecht een eigen leven dat niet meer beïnvloed wordt door omstandigheden waarin de originaire rechthebbende in de toekomst komt te verkeren. Zoals het eigendomsrecht op een fiets los staat van de wederwaardigheden van de oorspronkelijke eigenaar, maar enkel door de lotgevallen van de fiets wordt bepaald, zo staat het gewoonterecht los van de verdere levensloop van de eerste rechthebbende en is het voortbestaan van het recht hooguit afhankelijk van de lotgevallen van het immateriële voorwerp zelf. Een beetje vergelijkbaar met een auteursrecht dus.

Commentaar/alternatieve denkwijzen zijn van harte welkom.

Reacties:

Dr. Olaf van Hees (FB 26 juli 2018) 

  • Na de afschaffing van de heerlijkheden in 1848 hebben de leden van de familie Van Hees (Van Berkel en Rodenrijs en den Tempel) familiebreed besloten de naam Van Hees van den Tempel te voeren, ook door de 2e en 3e graad leden, immers afkomstig van eenzelfde stam. Het gebruik van de toevoeging is sinds het begin van de 20e eeuw zodanig verwaterd dat niemand dit meer gebruikt.

Mr Dries-Jan van Huykelom van de Pas (E-mail 26 juli 2018) 

  • “Naar mijn mening is het gevolg van voorgaande jurisprudentie dat het voeren van de betiteling en de toevoeging van de naam, moet worden gezien als een gewoonterecht. Dit recht is in de loop van de tijd van karakter veranderd. Er zijn immers geen eigenlijke heerlijke rechten meer”.

Ik heb bezwaar tegen de opvatting dat er geen heerlijke rechten meer zouden bestaan. Toonaangevende wetenschappers, waaronder Ketelaar, zijn van mening dat enkele, nog bestaande, heerlijke rechten een regale oorsprong hebben. Zo is het visrecht afgeleid van het stroomregaal. Ketelaar neemt afstand van het onderscheid dat De Blécourt aanvankelijk maakte tussen eigenlijke en oneigenlijk heerlijke rechten. Hij schrijft:  “het heerlijk karakter is juist een wezenlijk aspect van de ambachtsgevolgen” (F.C.J. Ketelaar, “Oude zakelijke rechten, vroeger, nu en in de toekomst”, Universitaire Pers Leiden, Tjeenk Willink 1978, p. 12-13.). Met andere woorden, heerlijke rechten bestaan nog steeds.

  • “De conclusie is dus dat er sprake is van een immaterieel vermogensrecht dat ontstaan is door gewoonte”

Deze conclusie deel ik. In de vroege Middeleeuwen konden alleen edellieden eigenaar zijn van een heerlijkheid. De titel ‘heer van’ (dominus) is van oorsprong de aanspreektitel voor een ridder. Hoewel het dus geen adellijke titel is duidde het gebruik van de aanspreektitel er destijds wel op dat de geadresseerde van adel was. In de oudste charters uit de Middeleeuwen wordt daarom iedere eigenaar van een heerlijkheid ‘heer van’ genoemd. Als het in de latere Middeleeuwen niet langer verplicht is om van adel te zijn om eigenaar van een heerlijkheid (met uitzondering van Zeeland) te zijn, wordt het woord ‘heer van’ niet genoemd in de charters, terwijl de eigenaars wel ‘heer van’ werden genoemd en als dusdanig werden erkend. Het ridderlijke ‘heer van’ is aldus in de loop van de tijd los komen te staan van het zijn van ridder en duidt sindsdien op het bezit van een heerlijkheid. Daarmee is een heerlijkheidstitel toen vooral een functie-aanduiding geworden voor de eigenaar van de heerlijke rechten, en met name van het recht op jurisdictie.In al mijn onderzoek naar (de status van) heerlijkheden ben ik nergens een bepaalde vorm van codificatie van het recht tot het voeren van de titel tegengekomen. Er zijn ook geen historici, noch rechtswetenschappers die van een wettelijke of anderszins juridische grondslag gewag maken. In dit licht is artikel 24 uit de staatsregeling van 1798 van belang, waarin – zonder enige onduidelijkheid – de heerlijke rechten en titels zijn afgeschaft:

Alle eigenlijk gezegde Heerlijke Regten en Tituls, waardoor aan een bijzonder Persoon of Lichaam zou worden toegekend eenig gezag omtrent het Bestuur van zaken in eenige Stad, Dorp of Plaats, of de aanstelling van deze of gene Ambtenaaren binnen dezelve, worden, voor zoo verr’ die niet reeds niet de daad zijn afgeschaft, bij de aanneming der Staatsregeling, zonder eenige schaêvergoeding, voor altijd vernietigd.”

Hiermee is zeer waarschijnlijk het recht tot het voeren van de titel ‘heer van’ afgeschaft, aangezien de revolutionairen uit die tijd sterk gekant waren tegen het feodalisme. Heerlijkheden, meer nog dan briefadel, waren hier een belangrijk onderdeel van. Zeker is wel dat met artikel 15 van de staatsregeling van 1801 artikel 24 van de staatsregeling van 1798 werd ingetrokken:

Alle algemeene Wetten en bepalingen, welke sedert het begin van den Jare 1795 gederogeerd hebben aan de waarde van Eigendommen of wettig verkregen Bezittingen, zyn aan herziening onderworpen. Een ieder die door dezelve benadeeld is geworden, kan zich deswegen aan het Staats-Bewind vervoegen, het welk, naar bevind van zaken de afschaffing of verbetering van die Wetten, alsmede eene billyke schadeloosstelling, voordraagt aan het Wetgevend Lichaam.

Heerlijkheden, c.q. heerlijke rechten, als verhandelbare vermogensrechtelijke zaak/zaken vallen hier onder. De titel, als die al was afgeschaft in 1798, is daardoor nog bestaand: er is na  1798 geen enkele wettelijke bepaling die er op ziet om (het gebruik van) de titel af te schaffen.

  • “De conclusie is dus dat er sprake is van een immaterieel vermogensrecht dat ontstaan is door gewoonte. Het betreffende recht is een absoluut recht – dat kan worden geldend gemaakt tegenover in beginsel willekeurig welke derde – op het betreffende immateriële voorwerp (gebruik titel/benaming) en het geeft de rechthebbende een exclusief gebruiksrecht op dat immateriële voorwerp.”

Zeer juist. Tot slot wil ik je nog op het volgende wijzen:

In 1814 zijn er een aantal Soevereine Besluiten uitgevaardigd door Willem I, waarmee een aantal heerlijke rechten werden hersteld. Je hebt daar een mooi artikel over geschreven, dus daarover zal ik niet uitweiden. Wel van belang is de tekst van deze artikelen. Hierin wordt namelijk vrijwel altijd gesproken over “ambachtsheeren”, “heeren”, slechts in één enkel geval ook over “voormalige heeren”. Uitgaande van een redactionele wetsinterpretatie zou ik durven stellen dat de titel inderdaad 1798 heeft overleefd en in deze artikelen wordt bevestigd.

Advertenties

De huidige juridische status van Nederlandse heerlijkheidsrechten

Gerard Martinus (Gerry) del Court van Krimpen, heer van Krimpen (1889 – 1944). Del Court behoorde tot een Amsterdams regentengeslacht.

In het werk van C.E.G. ten Houte de Lange, ‘Heerlijkheden in Nederland‘ wordt een heerlijkheid beschreven als: “een conglomeraat van rechten en plichten die betrekking hebben op het bestuur van een bepaald territorium en die in particuliere handen zijn“. Door de hoogleraar A.S. de Blecourt wordt een heerlijkheid in subjectieve zin gedefinieerd als het recht om regeermacht uit te oefenen (aanvankelijk van overheidswege, later door particulieren) met daaraan verknochte heerlijke rechten, krachtens een absoluut vermogensrecht. Heerlijkheid in objectieve zin is het grondgebied, waarbinnen heerlijke rechten kunnen worden uitgeoefend. Het is interessant om na te gaan in hoeverre heerlijke rechten momenteel nog juridische waarde hebben.

Rechtshistorische aspecten

In de nieuwe rechtsorde van 1795, die in Nederland de Bataafse Republiek invoerde, was het instituut van de ambachtsheerlijkheden moeilijk te verenigen met Liberté, égalité, fraternité. In dat licht  beoogde de Staatsregeling van 1798 definitief een einde te maken aan heerlijke rechten. De eigenlijke heerlijkheden in institutionele zin werden direct afgeschaft en de gevolgen werden voor voor onwettig verklaard. Bepaalde rechten werden met name genoemd, maar voor de zekerheid werd alles nog maar een keer samengevat in een soort technisch-juridische formule, die voor waterdicht werd gehouden: “mitsgaders alle andere regten en verplichtingen, hoe ook genoemd, uit het leenstelsel of leenrecht afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch, vrijwillig en wettig verdrag”. Iedereen mocht nog wel op zijn eigen grond jagen. De honoraire (“honorabele”) rechten werden afgeschaft zonder enige schadevergoeding. Voor de geldelijke (“profitabele”) rechten moest binnen zes maanden na datum opgave worden gedaan.

In de nieuwe Staatsregelingen van 1801 en 1805 is de grondgedachte uit 1798 geheel overgenomen. Volgens de regeling van 1801 werd het leenrecht volledig afgeschaft. Alle leenroerige goederen werden als allodiaal (= vrije, oorspronkelijke, erfelijke eigendom van de bezitter) bestempeld. De wet zou aan de leenheren (feodaal) een schadeloosstelling toekennen. Dit laatste is in de Staatsregeling van 1805 nogmaals toegezegd, maar met de uitvoering is nooit een begin gemaakt. Deze bepalingen leidden er wel toe, dat de Hoge Raad in 1882 besliste, dat de rechten van de ambachtsheren in 1798 niet vervallen waren, maar dat zij mede door de regelingen van 1801 en 1805, van feodaal tot allodiaal geworden waren. In 1803 bracht de Raad van Binnenlands Bestuur het advies uit, dat een schadevergoeding voor het gemis der “eigenlijk gezegde” rechten (voortkomend uit de jurisdictie) billijk was te achten. Van de andere rechten oordeelde de Raad er een groot deel in strijd met de burgerlijke vrijheid waren. Deze rechten zouden afkoopbaar gesteld moeten worden.

Tot een genuanceerder advies kwamen in 1803 de landsadvocaten in hun rapport aan het Departementaal Bestuur van Holland. Volgens hen bestond er een recht op schadevergoeding, dat trouwens in de wet was vastgelegd. De financiën van de staat lieten dit echter niet toe.

Op 9 juni 1806 herstelde de regering de ambachtsheren in een deel van hun oude rechten. Voordat aan de nieuwe wet uitvoering was gegeven, werd Lodewijk Napoleon gekroond tot koning van Holland. De nieuwe koning wilde de afschaffing van alle heerlijke rechten tegen een schadevergoeding. Dit ging recht tegen het ontwerp van wet in. De koning droeg de Staatsraad op een nieuw voorstel te formuleren. In 1809 is een ontwerp aangeboden, dat in de grote lijn neerkwam op de afschaffing van de jurisdictie en de bevoegdheden, maar de profitabele rechten voor een groot deel wilde handhaven. Aan dit ontwerp onthield Lodewijk Napoleon zijn goedkeuring. Toen in 1810 Holland bij het Keizerrijk werd ingelijfd, besliste de Raad van Ministers het ontwerp tot regeling van de heerlijke rechten aan te houden. De wetten van het Keizerrijk, die sindsdien voor het land van toepassing waren, raakten de vroegere heerlijke rechten nergens direct. Alleen voor het recht van aanwas is een Keizerlijk decreet van betekenis geweest. In 1813, toen het Koninkrijk der Nederlanden ontstond, was in feite nog niets veranderd sinds de onduidelijke Staatsregeling van 1798 (een omvangrijke en ingewikkelde materie) wel was omgeploegd, maar niet geregeld.

Actuele status van heerlijke rechten

Apollonius Jan Cornelis Lampsins (1754 – 1834), Baron van Tobago (Lodewijk XIV, 1662), heer van Swieten. Lampsins behoorde tot de Zeeuwse redersfamilie.

Van oudsher zijn aan genoemde goederen verbonden zogenoemde eigenlijke heerlijke rechten en heerlijkheidsgevolgen (accrochementen), ook wel oneigenlijke heerlijke rechten genaamd. De eigenlijke heerlijke rechten waren oudtijds de in de handel zijnde rechten op overheidsgezag. Begunstigd door de omstandigheid dat in het oud-vaderlandse recht ten tijde van de Republiek geen scherp onderscheid werd gemaakt tussen privaat- en publiekrecht, hebben deze rechten zich tot de Bataafse omwenteling onverkort weten te handhaven. Met artikel 24 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels van de Staatsregeling van 1798 werden zij afgeschaft,¹ maar zestien jaar later bij Souverein Besluit van 26 maart 1814 (Stb. 1814, 46) in getemperde vorm hersteld, namelijk als recht van voordracht voor de vervulling van belangrijke gemeentebedieningen en als recht tot aanstelling in kleinere gemeentebedieningen. Deze rechten werden bij de grondwetsherziening van 1848 afgeschaft ingevolge het eerste lid van het toenmaals ingevoegde additionele artikel. Bij de grondwetsherziening van 1922 werd de werking van deze bepaling uitgebreid tot het kerkelijk collatierecht (het recht iemand in een kerkelijke betrekking voor te dragen of te benoemen). De afschaffing van de in het eerste lid van additioneel artikel I vermelde rechten heeft dus in 1848 respectievelijk 1922 definitief zijn beslag gekregen.

De overige, de zogenaamde oneigenlijke heerlijke rechten, zijn de rechten die de heer kon uitoefenen naast zijn recht op overheidsgezag. Evenals de eigenlijke heerlijke rechten waren dit oudtijds zaken in de handel. De Staatsregeling van 1798 bevatte een drietal bepalingen welke de hier bedoelde rechten limiteerden, namelijk de artikelen 25, 27 en 53 van de Grondregels.²

Als gevolg van de verwarrende redactie van artikel 25 bleef voor tal van rechten grote onzekerheid bestaan. Voor wat betreft een aantal heerlijkheidsgevolgen, bijvoorbeeld het veerrecht, het recht op aanwassen en rechten betreffende dijken en wegen, kan wel als vaststaand worden aangenomen dat zij zijn blijven bestaan. Het eerdergenoemd Souverein Besluit van 26 maart 1814 herstelde onder andere de jacht- en visrechten.

Bij de grondwetsherziening van 1848 werd het niet noodzakelijk geoordeeld de oneigenlijke heerlijke rechten te schrappen, zoals dit met de nog resterende eigenlijke heerlijke rechten geschiedde. De wetgever zou zulks desgewenst later wel kunnen doen. In het tweede lid van het additionele artikel werd dit tot uitdrukking gebracht. Het artikellid maakt tevens gewag van schadeloosstelling van de eigenaren.

Sindsdien heeft de wetgever enige regelingen getroffen (de Verenwet (Wet van 5 juli 1921, Stb. 1921, 838), de eigenlijke heerlijke rechten 1923 (Wet van 2 juli 1923, Stb. 1923, 331) en verschillende opeenvolgende visserijwetten (laatstelijk de Wet van 30 mei 1963, Stb. 1963, 312)). Geheel verdwenen zijn de oneigenlijke heerlijke rechten echter nog niet, al worden zij niet geheel door oud-vaderlands recht beheerst (vgl. HR 20 februari 1931, NJ 1931, blz. 1563, handelend over een heerlijk visrecht). Nog bestaande oneigenlijke heerlijke rechten kunnen in de praktijk worden opgevat als gewone zakelijke rechten (Kamerstukken II 1976-1977, 14 457 (eerste lezing)).

De aard van genoemde rechten staat eraan in de weg dat het kan tenietgaan doordat er het gedurende lange tijd geen gebruik van wordt gemaakt; “non-usus”. De omstandigheid dat het bestaan van de rechten niet kan afleiden uit de openbare registers, brengt niet mee dat aangenomen moet worden dat de rechten niet (meer) bestaan (zie onder meer Gerechtshof Amsterdam 23 maart 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9231 en Gerechtshof Amsterdam 2 oktober 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1161).

Door de advocaat J. van Wassenaer wordt in “Van Adel”, Nieuwsbrief van de Nederlandse Adelsvereniging, zomer 2017 (p. 44) de interessante vraag gesteld of heerlijke rechten zijn afgeschaft.

Met name na de Tweede Wereldoorlog werd, net als onze “gewone” adellijke titels, het voeren van de titel “Heer van ..” veelal maar beter achterwege gelaten. Ook hier lijkt echter te gelden, dat er zich sinds eind jaren negentig een kentering in de belangstelling voordoet. Zelfbewustzijn en historisch besef zullen hieraan zeker (mede) debet zijn. Leek voorheen het vaste credo: “de Heerlijke rechten zijn afgeschaft!”, sindsdien is het meer een vráág: “zijn die Heerlijke rechten nu eigenlijk afgeschaft?”

Van Wassener meent op basis van een overgangsartikel in het BW het antwoord te hebben gevonden, wat talloze deskundigen kennelijk over het hoofd hebben gezien.

Welnu: ze zijn afgeschaft maar korte tijd later ook weer herboren (…).

Artikel 150, eerste lid, van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (van 3 april 1969) verklaart de van vóór 1838 bestaande oude zakelijke rechten tot register- goederen, hetgeen betekent, dat hun bestaan wordt erkend en dat levering (derhalve niet de verkrijging onder al- gemene titel) slechts kan geschieden door een notariële akte, gevolgd door de inschrijving in de openbare registers (kadaster).

Zoals hierboven uiteengezet, is dit onjuist. Het betreft hier alleen de restanten van heerlijke rechten in de vorm van zakelijke rechten. Het kenmerk van de heerlijke rechten, namelijk het overheidsgezag, is niet meer aan de orde. Het zijn dus geen heerlijke rechten meer, maar zakelijke rechten, die hun oorsprong in heerlijke rechten hebben gehad.

Naamsgebruik

Mr. A.J.F. Fokker, heer van Crayestein en Rengerskerke (1857-1929), lid Eerste Kamer.

In Nederland was het gebruikelijk dat de eigenaar van een heerlijkheid de naam daarvan achter zijn geslachtsnaam voegde om aan te geven dat hij de heer was van de betreffende heerlijkheid. Deze toevoeging maakte geen deel uit van zijn wettelijke geslachtsnaam en is te beschouwen als een eigendomsaanduiding. De circulaire die de minister van justitie in 1858 rond liet gaan, dat in officiële stukken een naam van een heerlijkheid nooit als deel van een geslachtsnaam mocht worden opgenomen, werd in de praktijk vaak genegeerd. Aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand werd vaak de naam van de heerlijkheid ten onrechte als deel van de geslachtsnaam opgegeven en vervolgens door de ambtenaar ingeschreven. Aan deze onjuiste opgave kon de betrokkene geen rechten ontlenen. In de praktijk was de kans groot dat in latere akten de onjuiste naam werd overgenomen, net zolang tot een ambtenaar een onderzoek deed naar de naam. Er zijn dus voorbeelden te noemen van geslachtsnamen waaraan de naam van de heerlijkheid is toegevoegd zonder dat er sprake is geweest van een Koninklijk Besluit.

Het stond mensen wel vrij om zich, zolang het geen officiële stukken betrof, te schrijven en ook te noemen met de naam van de heerlijkheid achter de geslachtsnaam.

Bij de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 was het gebruikelijk dat de eigenaar van de heerlijkheid de naam van zijn heerlijkheid achter zijn geslachtsnaam voegde met daartussen het woord van. Kinderen van de heer lieten tussen hun geslachtsnaam en de naam van de heerlijkheid het woord tot zetten.

Tegenwoordig geldt nog steeds de ongeschreven regel dat iemand die een voormalige heerlijkheid alleen bezit, in het maatschappelijk verkeer de aanduiding van heer of vrouwe van gevolgd door de naam van de heerlijkheid voert. Als er sprake is van een gemeenschappelijk bezit, noemen de eigenaren zich heer of vrouwe in/tot gevolgd door de naam van de heerlijkheid. Volgens het huidige naamrecht maakt de naam van de heerlijkheid geen deel meer uit van de geslachtsnaam. De aanduiding ‘heer/vrouwe van’ of ‘heer/vrouwe in of heer/vrouwe tot’ wordt tegenwoordig met een komma gescheiden van de geslachtsnaam. De eigenaar van een huis/landerij hoeft dus niet dezelfde persoon te zijn die de heerlijkheid bezit. Omdat huizen en heerlijkheden vaak dezelfde naam hebben, en omdat de eigenaren zich er vaak naar vernoemden, kan het zijn dat de twee verschillende eigenaren dezelfde naam voeren.

Bewijs leveren van het bestaan van voormalige heerlijke rechten

Aardig (maar ook niet geheel juist) is Van Wassenaer’s poging om juridische advies te geven met betrekking tot het bezitten van voormalige heerlijke rechten. Van Wassenaer noemt (kort gezegd) onder meer:

  1. vergaar het bewijs dat u de rechtmatige opvolger bent van de “Heerlijke rechten”;
  2. vergaar bewijs van de locatie van de “Heerlijke rechten”;
  3. vergaar het bewijs wat deze rechten inhouden of in hebben gehouden.

Van Wassenaer bedoelt met “Heerlijke rechten”, naar mijn mening de voormalige heerlijke rechten of de resterende zakelijke rechten.

Bijzonder interessant is Van Wassenaer’s advies met betrekking tot het gebruik van voormalige heerlijkheidsnamen in combinatie met de geslachtsnaam (p. 45):

Dr. Maurits Willem Raedinck van Vollenhoven (1882 – 1976), heer van Kleverskerke, diplomaat en grootprior Orde van Sint Lazarus.

Voer, in de meer offciële stukken, (overlijdensbericht, testament, etc.) de naam (dus X van Amsterdam van Den Haag) en titel (Heer van Amsterdam en Den Haag) en neem een passage in uw testament op, waarin u deze zaken (de rechten, de naam en de titel) uitdrukkelijk benoemt en “doorgeeft”, al dan niet per legaat. Bij het testament zou u kunnen opnemen dat het uw wens is dat, de traditie getrouw, dit alles ook vervolgens telkens aan (bijvoorbeeld en afhankelijk van de bij uw familie levende traditie uiteraard) de oudste zoon en zo verder zal worden overgedragen aan de nazaten binnen de familie.

Ik kan het hier alleen maar mee eens zijn, wel met de aantekening dat hiermee geen zakelijk recht wordt beschermd maar – in juridische zin – eerder een naamsonderdeel. Ik moet erkennen dat ik hier nog niet precies de vinger op kan leggen. Een ander prima advies van Van Wassenaer heeft betrekking op registratie in het kadaster (p. 45):

Hoewel ik in het vorenstaande aangaf dat bij vererving geen inschrijving in het kadaster nodig is (slechts bij verkoop aan derden is dat nu voorwaarde), zou het de rechtszekerheid voor u, uw nakomelingen en derden zeer helpen, indien u deze rechtspositie via een notariële akte daarin zou (doen) registreren. Dan is het maar duidelijk. Bij latere verervingen verdient het dan aanbeveling om het kadaster up to date te houden.

Of dit mogelijk is met een “titel” heer van (….) is naar mijn mening nog maar de vraag omdat niet duidelijk is of sprake is van een recht. Zakelijke rechten kunnen wel in het kadaster worden opgenomen door de notaris. Naar mijn mening moet de titel “heer van (…)” eerder in historische zin worden bezien. Als de titel onterecht wordt gebruikt, kan onder omstandigheden sprake zijn van een onrechtmatige daad in die zin dat ten onrechte wordt gesuggereerd dat er een eigendom of bezit is van een onroerende zaak van dezelfde naam.

Relatie met de familie

Een voorbeeld van een heerlijkheidsrecht is het collatierecht (in het Latijn “præsentatio sive collatio” en in het katholiek kerkelijk recht “jus patronatus”). Deze term houdt in het recht om een geestelijke, een pastoor of een dominee, voor te dragen ter benoeming. Het recht was erfelijk en werd in Nederland in 1922 afgeschaft met de bepaling dat de eigenaar het recht tot zijn of haar dood mocht blijven uitoefennen. In een aantal gevallen was het collatierecht verbonden aan een havezate, zoals bij Oosterbroek (zie: Collatierecht – Encyclopedie Drenthe Online), waarvan A.H. van Bergen eigenaar was.

In de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 21 september 1990, nr. R02.88.1390 (p. 4), is bepaald dat een lid van de huidige generatie “in rechte mannelijke lijn afstamt van Anton Quast, die naar de Afdeling is gebleken, rechthebbende was ten aanzien van de heerlijkheid Odenkirchen“. Odenkirchen is gelegen in de omgeving van Mönchengladbach.

Opmerking

Dit artikel is voor een belangrijk deel ontleend aan de boeken van de heren Delahaye en Ketelaar.

Literatuur

C.E.G. ten Houte de Lange en V.A.M. van der Burg, Heerlijkheden in Nederland, Hilversum, Verloren, 2008.

F.C.J. Ketelaar, Oude zakelijke rechten, vroeger, nu en in de toekomst (Les survivances du ‘système féodal’ dans le droit néerlandais au XIXe et au XXe sciècle) (Leiden/Zwolle 1978).

J.Ph. de Monté ver Loren, ‘Bestaan er nog heerlijkheden en hoe te handelen met aan heerlijkheden ontleende namen?’, De Nederlandsche Leeuw 1961, kol. 394-400.

A. Delahaye, Vossemeer, land van 1000 heren, NV Ambachtsheerlijkheid Oud en Nieuw Vossemeer 1969.

A.S. de Blecourt, Kort begrip van het Oud-Vaderlandsch Burgerlijk Recht I, Groningen-Batavia, 1939, p. 328.

Memorie ter wederlegging der gronden en redeneringen, vervat bij nadere missive van den Raad der Binnenlandsche Zaaken der Bataafsche Republiek op den 11 April 1804 wegens de zaak der heerlijkheden aan het Staatsbewind geschreven van wegens een groot aantal geinteresseerdens bij Stichtse heerlijkheden aan het Wetgevend Lichaam der Bataafsche Republiek overgegeven : met eenige daartoe behorende bijlagen. – Utrecht : Wild en Altheer, 1805. – [2], 207 p. ; 23 cm – Note: Ex. RGS-GS gebonden bij: Korte verhandeling over de ambachtsheerlijkheeden en derzelver lot, zeedert den jaare 1795.

Noten

1. Artikel 24 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels luidt: “Alle eigenlijk gezegde Heerlijke Regten en Tituls, waardoor aan een bijzonder Persoon of Lichaam zou worden toegekend eenig gezag omtrent het Bestuur van Zaken in eenige Stad, Dorp of Plaats, of de aanstelling van deze of gene Ambtenaaren binnen dezelve, worden, voor zoo verre die niet reeds met de daad zijn afgeschaft, bij de aanneming der Staatsregeling, zonder eenige Schaêvergoeding, voor altijd vernietigd.”

2. Deze artikelen luiden als volgt:
Artikel 25.
-1. Alle Tiend-, Cijns-, of Thijns-, Na-koops-, Afstervings-, en Naastings-Regten, van welken aard, midsgaders alle andere Regten of Verpligtingen, hoe ook genoemd, uit het leenstelsel of Leenrecht afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch vrijwillig en wettig verdrag, worden, met alle de gevolgen van dien, als strijdig met der Burgeren gelijkheid en vrijheid, voor altijd vervallen verklaard.
– 2. Het Vertegenwoordigend Lichaam zal, binnen agttien Maanden, na Deszelfs eerste zitting, bepaalen den voet en de wijze van afkoop van alle zoodanige regten en renten, welke als vruchten van wezenlijken eigendom kunnen beschouwd worden. Geene aanspraak op pecunieele vergoeding, uit de vernieting van gemelde Regten voordvloeijende, zal gelden, dan welke, binnen zes Maanden na de aanneming der Staatsregeling, zal zijn ingeleverd.

Artikel 27.
Alle burgers hebben, ten alle tijde, het regt, om, met uitsluiting van anderen, op hunnen eigen of gebruikten, grond te Jagen, te Vogelen en te Visschen. Het Vertegenwoordigend Lichaam maakt, binnen zes Maanden na Deszelfs eerste zitting, bij Reglement, de nodige bepaaling, om, ten dezen opzigte, de openbaare veiligheid en eigendommen der lngezetenen te verzekeren, en zorgt, dat noch de Visscherijen bedorven, noch de Landgebruiker bij eenige Wet of Beding, belet worde, allen Wild op zijnen gebruikten grond te vangen, noch ook, dat een ander daarop zal mogen Jagen of Visschen zonder zijne bewilliging.

Artikel 53.
Bij de aanneming der Staatsregeling, worden vervallen verklaard alle Gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neeringen, Ambagten, of Fabrieken. Ook heeft ieder Burger, in welke Plaats woonachtig, het regt zoodanige Fabriek of Trafiek opterigten, of zoodanig eerlijk bedrijf aantevangen, als hij verkiezen zal. Het Vertegenwoordigend Lichaam zorgt, dat de goede orde, het gemak en gerief der Ingezetenen, ten dezen opzigte, worden verzekerd.

 

Naschrift

Onlangs ontdekte ik een belangrijk stuk van mr W. Lunsingh Tonckens die – onafhankelijk van mij – tot een vergelijkbare conclusie komt (De Nederlandsche Leeuw, jaargang 39, kolommen 285-286):

“Heerlijkheden bestaan hier te lande dus niet meer. Daar het onmogelijk is om eigenaar te zijn eender niet bestaande zaak, kan men heerlijkheden niet erven of koopen”

en:

“Hij, die ten onrechte den naam eener heerlijkheid als deel van een geslachtsnaam opgeeft of draagt, valt niet onder het bereik onzer strafwet en loopt alleen in het weinig waarschijnlijke geval, dat daardoor aan een ander nadeel wordt toegebracht, gevaar, dat eene burgerlijke rechtsvordering tegen hem wordt ingesteld (artikel 1401) van het Burgerlijk Wetboek).”