Adellijke titels en het Nederlandse strafrecht

Wapen van Franz Arnold von Wolff-Metternich zur Gracht, Fürstbischof van Paderborn en Münster, op de St. Josephskirche in Delbrück-Westenholz - foto: Daniel Brockpähler

Wapen van Franz Arnold von Wolff-Metternich zur Gracht, Fürstbischof van Paderborn en Münster, op de St. Josephskerk in Delbrück-Westenholz – foto: Daniel Brockpähler

Oorspronkelijk was het bij de invoering van de Wet op de adeldom de bedoeling om de regels over verwerving van adeldom door afstamming te codificeren zonder daarin enige verandering aan te brengen. Aan een historisch gegroeid instituut, dat zijn wortelen heeft in een traditie die juist ongelijkheid van mensen accentueert, moet men niet gaan sleutelen, aldus de mening van de toenmalige minister Dales. Maar het parlement wilde anders: door middel van amendementen werd bepaald dat ook door adoptie en dat door buiten huwelijk geboren kinderen adeldom kon worden verworven. Een amendement dat voorstelde om het mogelijk te maken, dat ook adellijke dames hun adel aan hun kinderen kunnen doorgeven werd echter verworpen. Een dergelijke mogelijkheid zou het aantal leden van de adel te sterk doen toenemen, zo vond het parlement destijds. Wat hieraan zo erg is, wordt niet duidelijk. Deze kinderachtige opstelling kreeg jaren later een merkwaardig gevolg.

Op 8 juli 2011 veroordeelde de kantonrechter in Maastricht een zoon van een tot de Nederlandse adel behorende adelijke gravin Wolff Metternich tot een geldboete van € 300, subsidiair zes dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De moeder voerde rechtmatig de titel ‘gravin’ en de zoon verkreeg bij Koninklijk Besluit de naam van de moeder, maar de minister weigerde de titel ook in te schrijven in de filiatieregisters. De rechter vond dat art. 435 Sr. was overtreden:

Artikel 435. Met geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: 1 hij die zonder daartoe gerechtigd te zijn een Nederlandse adellijke titel voert of een Nederlands ordeteken draagt; (…)

Het betrof een oude familie die bij besluit van Keizer Ferdinand II van 21 januari 1637 (in de persoon van Johann Adolf von Wolff Mettemich) werd verheven tot baron van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Bij besluit van Keizer Karel VI van 17 mei 1731 werd Franz Joseph von Wolff-Metternich zur Gracht verheven tot graaf van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Bij KB van 8 april 1884 werd Levin Max Paul Maria Hubert graaf Wolff-Mettemich (tak uitgestorven in 1972) en bij KB van 10 december 1925 werd Hermann Joseph Ferdinand Aloysius Hubertus Maria Anna graaf Wolff-Metternich ingelijfd in de Nederlandse adel met de titel van graaf en gravin voor al hun wettige nakomelingen. De laatste van dit Nederlandse adellijke geslacht is Eugenie Maria Mechtildis Huberta Theodora Thaddeus gravin Wolff Metternich (1923). Dat een (biologische) nakomeling-naamsdrager wel beboet kan worden en een geadopteerd kind niet, bewijst dat het Nederlandse systeem eerder een historisch gedrocht is geworden dan een historisch instituut is gebleven.

In het boek van E.J. Wolleswinkel over het Nederlandse adelsrecht en in het betreffende jaarverslag van de Hoge Raad van Adel wordt beweerd dat de zoon de titel ‘graaf ‘ voerde. Dit is een bewuste onwaarheid omdat de heer Wolleswinkel bij de behandeling van de zaak gezapig achterin de zaal zat te genieten en dus goed van de feiten op de hoogte is. In de uitspraak is expliciet de titel ‘Graaf ‘ opgenomen, zoals de zoon ook expres voerde om geen verwarring te laten ontstaan. Dit lijkt op het eerste gezicht irrelevant, maar de schijn bedriegt. ‘Graaf’  met een hoofdletter is immers een Belgische adellijke titel en een Nederlandse voornaam. De Nederlandse adellijke titel ‘graaf’ wordt met een kleine letter geschreven. Dit verschil wordt in het rode boekje altijd gemaakt. De rechter heeft dus in al zijn onnozelheid iemand bestraft die een Belgische adellijke titel in Nederland voerde, terwijl de wet alleen het wederrechtelijk voeren van een Nederlandse adellijke titel strafbaar stelt. Door J.W. Fokkens en A.J. Machielse is het verbod van art. 435 WvSr in het standaardwerk van Noyon, Langemeijer en Remmelink als volgt samengevat: “Reeds het voeren van een Nederlandse adellijke titel op zich zelf zou voldoende moeten zijn, tenzij er nochtans aanwijzingen zijn, dat men een buitenlandse titel voert, hetgeen dus met de in meer talen voorkomende titel baron het geval kan zijn (…)”. Bovendien is het voeren van “Graaf” als Nederlandse voornaam natuurlijk ook niet strafbaar. Een totale misslag dus van een rechter die er niks van snapte. Door Wolleswinkel is deze misslag op een goedkope manier verdraaid, nota bene in een proefschrift. Dit doet niet alleen ernstig afbreuk aan zijn wetenschappelijke en ambtelijke integriteit, maar ook aan zijn deskundigheid.

Literatuur: